Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Liefde als Agapè (II)

We spraken over de liefde (agapè) van God zoals die in Christus uitgaat naar een wereld vol vijandschap en vijandelijkheden. Een wereld verscheurd door tegenstellingen, antithetische verhoudingen. Een wereld van harde, onverzoenlijke en schijnbaar niet op te heffen tegenstellingen tussen de nationaliteiten, de sociale klassen, de rassen, de godsdiensten, de seksen. Een onverzoende wereld waarin geen 'vrede' heerst, geen 'shaloom' is, maar waar altijd weer oorlog dreigt of losbreekt, conflicten oplaaien, vetes uitgevochten worden, mensen elkaar beconcurreren of zelfs naar het leven staan.
Nu, in deze wereld - en in geen andere- is de liefde van God afgedaald. Zegevierend! Verzoenend. Vrede stichtend.
Vrede, 'shaloom', betekent dat volken en mensen niet langer ten koste van elkaar leven, maar dat het bestaan van de één het bestaan van de ander(en) ten goede komt. Daarbij stoelt vrede op 'gerechtigheid' ('tsedaka') op rechte en eerlijke verhoudingen tussen mensen en groepen.
We spraken over Gods liefde als over onze vijandschap beschámende liefde, als ontwapenende liefde. Je zou kunnen zeggen dat we in deze liefde van God ons verkondigd, betuigd en betoond (in het evangelie, in de kerk, in de ervaringen van het leven) als vijanden van God en onze naaste vergáán, zoals Miskotte's bevrijdingspreek in 1945 als titel had: 'Gods vijanden vergaan!'. We kunnen niet meer anders dan als met Hem verzoenden en in de dienst der verzoening gestelden als vredemakers, vredestichters leven. Liefhebbend, zoals we geliefd zijn.
Daarmee zitten we in het hart van het christelijk 'ethos'; als het antwoord op Gods Woord tot ons. Het evangelie van de verzoening zal betekenen, voor ons inhouden dat we niet langer de vijanden van God en onze naaste kunnen zijn. Want die vijandschap waarin we meenden te moeten volharden mist elke grond. Gód is niet onze vijand en Hij voegt ons de andere mens als onze broeder of zuster toe. (Want God is ook als 'onze God' altijd de God van de ander!). Onze vijandschap is 'objectloos' geworden, eigenlijk een 'slag in de lucht'.
We zijn niet langer vijanden van God en van onze naaste, ja, zelfs niet 'de vijanden van onze vijanden'. Wij in ieder geval zijn niet hún vijanden, ook al zijn zij wellicht nog de onze. Maar onze vredelievendheid zal ook hun vijandschap ondermijnen!
Hoe dan ook: de agapè, die 'door de Heilige Geest is uitgestort in onze harten' (Rom.5:5), schuwt en mijdt de vijand niet; ze vreest de vijand niet, althans niet met een laatste vrees. De liefde spreekt de vijand aan en zoekt hem op. Ze gaat de conflicten niet uit de weg. Ze begeeft en waagt zich in een liefdeloze, onverschillige, vijandige wereld. Dat doet de agapè als liefde van God in Christus en dat zal ze óók doen als liefde van in Hem geliefde en verzoende mensen. De liefde drijft en stuurt de geliefden liefhebbend een liefdeloze wereld in. Als vredesapostelen. Als diakenen der verzoening. Als getuigen van Gods vredesbesluit.
Dat de liefde daarbij niet zweet en zucht, daarbij geen doodsangsten uitstaat, is bepaald niet zeker, maar ze dóet het niettemin: de vijand tegemoet treden, de zondaar niet verachten of verdoemen. (Nietzsche was wel geestig in zijn scherpe spot, maar zijn spot was ook misplaatst.) In angst en beven, terugschrikkend, maar zich ook weer hernemend, leven en handelen met God verzoende mensen in de zware dienst der verzoening.

Agapè als herderlijke liefde.

De liefde als agapè is werkelijk niet in de laatste plaats liefde tot vijanden. Ze mijdt het vijandige, het slechte en het lelijke niet in de mens en in de wereld. Dat kenmerkt haar als liefde van God-in-Christus en ook als de liefde van de mens in de kracht van deze liefde.
Maar toch is de agapè -als we ons houden aan de geschriften van het NT- zo wél ter zake aangeduid en gekenschetst, maar toch ook onvolledig. Ze is nog meer en nog anders dan 'verzoenende liefde'.
Blijkens het werk en de weg van Jezus in de evangeliën is die agapè van God-in-Christus ook liefde voor zieken, zwakken en zondaars van allerlei slag. De mens komt in het verhaal van Gods liefde niet alleen voor als 'vijand' of als 'goddeloze', maar ook als zieke en zwakke, als dode en verlorene, als bedreigd en weerloos schaap, als 'verloren schaap', als de mens die in de 'kosmos' in de verdrukking zit, in benauwenis verkeert.
Gods liefde is, behalve verzoenende, óók genezende, voedende liefde. Ze zoekt het verlorene en brengt het terecht. 'Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene, het stuk gelopene, te zoeken en te redden' (Luc.19:10) We menen de agapè, zoals die ons verhaald en betuigd wordt in het NT in dit opzicht nog het beste te kunnen typeren als 'herderlijke liefde'
Een kerntekst is hier Joh. 10:11, waar staat: 'De goede herder stelt zijn leven voor zijn schapen'.
Stellen (Grieks: 'tithemi') betekent 'inzetten' of ook: 'afleggen'. Het is agapè als het zich met lijf en leden, met hart en ziel, inzetten, ópkomen voor wie als schapen de herder zijn toevertrouwd.
Het gaat in deze herderlijke liefde om zorg voor de schapen, dagelijks en heel materieel, en dat (als we blijven in de bijbelse beelden) in een ruige, riskante wereld. Het gaat in deze liefde van de herder voor zijn schapen om bescherming tegen wolf en rover en ze is -in het uiterste geval- een borgstaan met het lijfelijk bestaan voor het behoud van de schapen.
Deze liefde is vooral dienst, elementaire, materiële dienst. Deze liefde 'zint niet op hoge dingen, maar voegt zich naar het nederige', om met Paulus te spreken (R.12:16) (of ook: naar de 'geringen')
Vanuit het beeld van de (oosterse) herder met zijn kudde, maar natuurlijk ook vanuit de concrete levenspraxis van de Messias Jezus, is deze agapè gericht op het lichamelijk-materiële bestaan van de mens, op het oppervlak van zijn leven, op zijn huid, en de behoeften van zijn zinnen. D.w.z.: ze beoogt de mens in diens kwetsbaarheid, wondbaarheid ('vulnerabilité', zegt Levinas hier vaak), behoeftigheid. Deze liefde voedt, laaft, versterkt en geneest. Ze redt het schaap, de mens, uit gevaar en verdoling. Ze richt hem op uit narigheid en ellende. Kortom: zij wil dat de mens méns is, tot zijn menselijk recht komt. Gevoed, gekleed, behuisd; vrij, geen slaaf; niet in angst gevangen, niet in vrees verward.
Deze liefde is heel concreet, heel particulier, al is haar strekking universeel. Ze blijft niet steken bij die ëne, al begint ze daar wel. Liefde is exuberant, overvloeiend van de een naar de ander. (Als je je eigen kind liefhebt zul je ook hart hebben voor kinderen van anderen).
Toch is deze liefde niet zo maar 'algemene mensenliefde', ('philanthropie'), die voor het gemak de allernaaste naaste maar even overslaat! Daar ligt juist de toets voor haar echtheid.
We doen er ook niet goed aan deze agapè als 'geestelijke' liefde op te vatten, zoals zo vaak gezegd of gesuggereerd wordt. Zo kent men in de school van de psycho-analyse de liefde alleen als een gesublimeerde en/of geremde vorm van de 'libido', de lustrijke liefde. Maar ook met name in de Rooms-katholieke traditie zijn er sterke tendensen om de agapè, de christelijke liefde, op te vatten als een verfijnde, gespiritualiseerde vorm van -wat dan heet- de 'natuurlijke liefde' of de 'erotische' liefde. Die is niet verkeerd, maar ze moet wel vervolmaakt worden. (Volgens de thomistische grondregel:'De genade heft de natuur niet op, maar vervolmaakt haar'.)
Daartoe geeft de liefde als herderlijke liefde, zoals we die uit het NT leren kennen, geen aanleiding. Ze blijft-om zo te zeggen- 'laag-bij-de-grond', bij de zwakken en de geringen in hun noden en behoeften. Natuurlijk, men kan haar ook wel met recht en goede reden 'geestelijk' noemen, maar dan in de zin van 'werkzaam in de kracht van de Geest' (het 'pneuma'), maar ze is en blijft in eerste instantie gericht op het lijfelijk-materiële bestaan en heeft als zodanig een opvallend 'materialistisch' en geen spiritueel karakter.

Deze herdelijke liefde van God, betoond in de Messias Jezus, zouden we pro-existente liefde kunnen noemen. Pro-existentie: er-zijn-voor-de-ander (Bonhoeffer) Die pro-existente liefde gaat een beslissende stap verder dan de co-existente liefde, waarbij er een zeker evenwicht is tussen geven en ontvangen en waarbij de liefhebbende en de beminde beiden welvaren. Maar in de herderlijke liefde waarvan de Schrift spreekt legt de liefhebbende zijn leven -in uiterste instantie- áf ten gunste van de ander. Deze liefde is in haar spits zich offerende of ook plaatsvervangende liefde. De herder ruilt a.h.w. met het schaap van plaats om zo de slagen van het lot en de dreiging van de belagers op te vangen in het eigen (lichamelijke) bestaan.
Gezang 105: 6 en 7 uit het Liedboek:
'Als eertijds verdoolde schapen/thans de Herder toegewijd/
die in de waarheid weidt. /Uw bewaarder zal niet slapen.'

'Ja, de Heer zal u bewaren,/ Hij de Herder, hij het Lam,/
die voor u ter aarde kwam,/die voor u is opgevaren
.'

Gods herderlijke liefde in Christus is opkomen, instaan, inspringen, borg staan voor de schapen. Het is solidaire, proëxistente liefde. Proëxistent tot in de substitutie toe: de plaatsvervanging.
Deze 'plaatsvervanging' is ook een centraal begrip in de filosofie van Levinas. Het 'l'un-pour-l'autre' als de geheime intrige van de zijnsgeschiedenis. Deze solidaire, concreet voor de ander opkomende en instaande liefde houdt mens en wereld in stand. Buiten die liefde waarin mensen voor elkaar instaan en elkaar dragen valt de wereld uiteen en wordt ze prijsgegeven aan chaos en ondergang. (We moeten denken aan die prachtige film 'La vita e bella', waarbij een vader, met alle inventiviteit die in hem is, instaat voor het leven van zijn zoontje in de context van een concentratiekamp; hem weet te redden, zij het niet dan met het offer van zijn eigen leven.)
En we menen uit de bijbel te mogen leren dat deze zorgende, zich voor de ander inzettende liefde van de herder maar geen toevallig accident is in een overigens onverschillige en onbarmhartige wereld, maar dat die liefde het hart van het zijn is. Ze is 'ontologisch' van gehalte en karakter. God als het hoogste zijn, als het binnenste van het zijn, is deze agapè. En buiten deze agapè wordt God zelf onwezenlijk en spookachtig, een geheime X. Wie God is wisten met name de eerste christenen uit het Romeinse Rijk uit het beeld van de Goede Herder, die Jezus is. (Heel opvallend dat in de catacomben van Rome dat beeld eindeloos terugkeert)
In deze liefde zit 'ruil', plaatsverwisseling. Het NT heeft hier het woord 'katallage', dat letterlijk 'ruil', 'exchange' betekent en vaak vertaald wordt als 'verzoening'! Deze plaatsverwisseling défataliseert het gebeuren, onderbreekt de fatale loop der dingen, de onverbiddelijke noodzakelijkheid van het gebeuren.
Deze liefde geschiedt op de weg van Jezus lijden en sterven, maar deze liefde en dit lijden zijns niet vergeefs, want ze beogen en bewerken het léven van de geliefden. Zo is het 'kruis' geen tragedie of een mislukking, maar het is 'triomf der liefde'. Want vallend in de dood doet de liefhebbende leven. Hij is vruchtbaar als in de akker stervend zaad. 'Hij de Zaaier, Hij het Zaad', zou je kunnen variëren.
Dit verlies is winst. Deze passie geen 'nutteloze passie', zoals Sartre het menselijk bestaan (treffend) kenschetste. Deze lijdensgeschiedenis is tevens heilsgeschiedenis, bevrijdingsgeschiedenis.
De mooiste en meest sprekende tekst in dit opzicht vind ik dat woord van Jezus bij zijn arrestatie in de hof van Gethsemane: 'Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan, opdat het woord vervuld werd dat hij gesproken had: wie Gij mij gegeven hebt, uit hen heb ik niemand laten verloren gaan.' (Joh. 18:9) Een koninklijk, herderlijk woord.
Behalve als vijanden met elkaar verzoenende liefde, vijandschap overwinnende liefde, is het ook ter zake de agapè, zoals we die in het NT tegenkomen, te karakteriseren als 'herderlijke liefde'; liefde die het verlorene zoekt en redt; liefde die de gevallen mens opricht; liefde die het zwakke beschermt, de hongerige voedt, de melaatse niet verstoot, maar aanraakt en reinigt. Liefde die de mens in diens 'wondbaarheid', diens kwetsbaarheid op het oog heeft,dient en respecteert.

De liefde van God in het OT. (kort).

Van de liefde en het liefhebben van God (resp. 'ahabah' en aheeb') is er in het OT-althans met die woorden- betrekkelijk weinig sprake. Welgeteld 30 keer, waarvan al 8 keer in de Psalmen en 6 keer in het boek Deuteronomium. Dat is in het NT 1 ½ maal zo veel, als we de vele keren dat er sprake is van 'agapètoi' (geliefden) nog niet eens meerekenen.
Erg veelbetekend is dat o.i. niet. We sluiten ons hierbij aan bij o.a. Berkhof, Van Gennep en ook Karl Barth die zeggen dat Gods liefde a.h.w. verscholen ligt in zijn verbond en zijn verbondshandelen met Israël. Pas als de afstand tussen God en zijn volk groter wordt, ja maximaal wordt in de ontrouw van Israël, springen de woorden 'ahabah' en 'aheeb' naar voren als het diepste van de kant van JHWH in zijn verbondstrouw.
Zo wordt bij de profeet Hoséa, waar Israël wordt vergeleken met een overspelige vrouw, Gods toewending tot zijn volk uitdrukkelijk als 'liefde' gekwalificeerd. De liefde van God wordt daar beschreven als een alle ontrouw, rebellie en vijandschap overtreffende en overtroevende liefde. Van Gennep zegt het kras en duidelijk: 'Israël lonkt als een hoer naar de afgoden en juist deze hoer heeft JHWH zich als bruid verkoren.'

Wat ons verder in het OT niet ontgaan mag en moet opvallen is dat de liefde van God, althans in de gebruikte beelden, sterk 'erotisch' gekleurd is; ontleend als die beelden vaak zijn aan de liefde tussen man en vrouw, zowel in het negatieve (overspel, hoererij) als in het positieve (bruidstijd, huwelijk) en dat zowel bij Hoséa als bij Ezechiël.
Dat mag komend vanuit het NT verrassen. Gods liefde is zeker 'agapè' (zo wordt 'ahabah' meest vertaald in de Septuaginta), maar dan toch agapè die niet wezensvreemd is aan wat ook in ons taalgebruik 'erotische liefde' wordt genoemd. (Ook in het Hooglied is het Griekse woord voor liefde agapè; daarin moge duidelijk worden dat deze agapè de erotiek niet uitsluit; niet 'uitdrijft', zoals ze dat wél de 'phobos' (vrees) doet- 1 Joh.4: 18)
Zeker, het minnen der minnenden staat niet model en is niet maatgevend voor de liefde des Heren, maar toch kan (Miskotte zegt dat in zijn boekje Bijbels ABC) 'de overvloed, de jubel, die zich in de verbintenis (van God en zijn volk) uitleeft, niet zonder woorden en beelden ontleend aan de minne worden uitgezegd...'
Onmiskenbaar is de liefde van God (ofschoon in haar kern recht en gerechtigheid doende liefde) in haar ontvouwing en uitwaaiering vol erotische kleur en geur. Dat is in het NT in ieder geval veel minder duidelijk. Dáar is de agapè vooral passie. Ze neemt er de 'lijdensfiguur' aan, om met Noordmans te spreken. De kruisgestalte. En bij het kruis van Christus kunnen we zeker niet spreken van liefde als eros.
Toch (zegt weer Miskotte) zullen we het liefhebben en de liefde ook daar 'te bleek, te begripmatig verstaan, als we de heilige woorden niet gedrenkt zien in de gloed en de hartstocht, waarvan het Hooglied zingt. Bovenal: de heimelijke geschiedenis in de geschiedenis, de geschiedenis van Gods volk vervluchtigt tot een stichtelijkheid, wordt verschraald tot een dierbaar geval, indien deze hartstocht van God niet aanruist op ons hart. De heilige geschiedenis is liefdesgeschiedenis; het drama van Gods zoeken en vinden...'
De agapè van God, goed en ten volle verstaan, is óók erotische hartstocht. Ze is niet zonder de passie van de minne (als minne een mooie vertaling van eros is). Ook niet zonder de zoetheid der minne.
Zo sluit de agapè van God, ofschoon we haar zeker niet vanuit onze opvatting van eros of erotiek zullen moeten verstaan, de erotische liefde niet uit, maar in. (zie hier: Jesaja 62)

Wie (of wat) heeft God lief? (het 'object' van Gods liefde).
Het voorwerp van Gods liefde is in het OT heel concreet, misschien ergerniswekkend concreet -en de enigszins ingewijde zal het niet verbazen (overigens ten onrechte niet verbazen!) het volk Israël.

Opmerkingen.
a. Het woord liefde valt in de aanspraak en toewending van God tot zijn volk. Daarmee bedoelen we: het is geen 'schouwspel' dat je kunt waarnemen of constateren van buiten af. Liefde moet om liefde te zijn uitgesproken worden. (Je weet toch nooit of iemand je liefheeft, tenzij hij of zij het ook zégt? Betoonde liefde is misschien belangrijker, maar ook altijd dubbelzinnig).
b. Liefde is woord en daad ('dabhar') en geen 'onpersoonlijke of bovenpersoonlijke kracht' (Miskotte). Het is Gods vrije, soevereine daad. Zijn verkiezende daad. Onherleidbaar als de genàde. Onverplicht, onverdiend, ongemotiveerd. 'God neemt redenen, motieven, uit zichzelf', luidt de oude zegswijze. Je kunt nogmaals met Miskotte zeggen: De liefde is 'zonder grond, in ons midden'.
c. De liefde van God, zoals die in het OT ter sprake komt, betreft maar niet 'alles en iedereen', maar ze heeft als verkiezende liefde een oogmerk, ja 'een oogappel' :Jacob. (Dt. 32:9).
En dan zeker ook 'Salomo' : de 'shaloom-koning', de 'vredevorst'! Het is heel opvallend dat van de vijf keer dat er van de liefde Gods sprake is in vroeg-profetische boeken (Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen)- en dan ook nog Nehemia en 1 en 2 Kronieken- steeds Salomo of bedoeld of dat die vlak in de buurt is.
Verder (maar dan zijn we in de psalmen) zijn koninklijke eigenschappen als 'tsedaqah' of 'mispath' voorwerp van Gods liefde En dan ook nog 'Sion' of 'de poorten van Sion'.
Zo kunnen we zeggen: Gods liefde heeft onmiskenbaar een brandpunt, een middelpunt: ze focust op de koning van het volk (Salomo) en dan ook op het volk, de stad, het land als de periferie van de geliefde koning.
Het is dus (nogmaals Miskotte) 'waarlijk geen eigenschap gelijkelijk door de wereldruimte verdeeld als de ether'.
In het OT straalt Gods liefde op één punt, één plek en ze doortrekt zeker niet het universum. Met name de heidenwereld ligt niet zonder meer binnen haar bereik en haar actieradius. Daarmee is evenwel niet gezegd dat haar strekking niet universeel zou zijn en dat zij zich tot dit wel heel particuliere van Israël zou beperken; dus ook niet dat de heidenwereld, de volkerenwereld aan die liefde geen deel zou krijgen, maar:
d. Gods liefde is –in eerste instantie- Zijn liefde tot het volk Israël. Het is niet of nauwelijks Gods liefde die in Israël uitgaat tot de volken. Dat zal wel haar bestemming zijn die ze heel duidelijk krijgt in de Messias Jezus. In Hem gaat de liefde van God uit tot de 'goyim', tot de heidenwereld, tot aan de einden der aarde.

(c) Rens Kopmels
Zie ook:
Liefde als Agapè (III)



[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]