Van Ruler en het Oude Testament

Het Oude Testament is 'de eigenlijke bijbel' en het Nieuwe Testament is 'niet meer dan het lijstje met vreemde woorden ter nadere verklaring achterin'. (1) Het zijn de bekend geworden woorden van de Utrechtse dogmaticus A. A. van Ruler (1908-1970) die een voorliefde had voor toegespitste en lichtelijk provocerende formuleringen en daarmee soms bereikte, zoals zeker in dit geval, dat het gevleugelde woorden werden.

Van Rulers bedoeling is wel duidelijk. De altijd weer dreigende onderwaardering van het OT in kerk en theologie wilde hij met deze woorden en met het hen ondersteunende betoog bezweren. Daarin staat hij schouder aan schouder met zijn tijdgenoten Karl Barth en K. H. Miskotte aan hetzelfde front, hoezeer hun theologische motieven verder ook mogen verschillen. (2)
Berucht of in ieder geval bekend is de these van de beroemde dogmen-historicus uit het begin van deze eeuw Adolf von Harnack waarin deze stelt: 'Das Alte Testament seit dem 19. Jahrhundert als kanonische Urkunde im Protestantismus noch zu konservieren, ist die Folge einer religiösen und kirchlichen Lähmung'. (3) Gevreesd moet worden dat Von Harnack alleen maar openlijk uitsprak wat in brede kring van kerk en theologie de praktijk was: de lagere waardering van het OT ten opzichte van het NT met als latente consequentie de afschaffing op termijn. Ook de gereformeerd-calvinistische traditie (schoon een relatief gunstige uitzondering in de wereldkerk) is deze tendens niet geheel vreemd. Zo kan Heinrich Heppe in zijn compilatie van de gereformeerde dogmatiek tot aan het midden van de 19-de eeuw schrijven: 'Das Alte Testament hörte auf, als das Opfer Christi vollbracht und als die frohe Botschaft von demselben der Welt verkündet und nicht bloss von Juden, sondern auch von Heiden geglaubt war, indem hiermit das Neue Testament ins Leben trat' (4) Weliswaar wordt de 'substantie' van het OT onveranderd opgenomen in het NT, maar 'die Vollkommenheit der Offenbarung in Christus' (Heppe) maakt het OT als zodanig tot een in wezen achterhaalde zaak. Desnoods zouden we er ook buiten kunnen.

Zo moest Van Ruler zijn strijd voor het OT als 'de eigenlijke bijbel' ook strijden binnen de eigen gereformeerde traditie en de eigen gereformeerde kring. Kort gezegd komt zijn stellingname erop neer dat de 'volkomenheid van de openbaring in Christus' juist níet betekent dat het OT 'aufhört', maar voluit géldig wordt! Het NT 'verklaart' -in de zin van proclameert- dat het OT 'het enige en eigenlijke Woord Gods in de wereld' (5) is. Evangelisten en apostelen 'willen zelf niet meer zijn dan het lijstje van verklarende aantekeningen achterin. Dat er in dat lijstje iets anders zou staan dan in het boek zelf, zou de schrijvers van het NT godslasterlijk in de oren geklonken hebben.' (6)

Een centrale rol in de verhouding van de twee compartimenten van de éne Heilige Schrift speelt voor Van Ruler het begrip 'vervulling'. Wat houdt het in dat in Christus wet en profeten 'vervuld' worden? Nu, zeker niet dat wet en profeten nu hebben afgedaan. Matth. 5:17 leert al ondubbelzinnig dat de notie van de vervulling tegengesteld is aan die van de 'ontbinding'. 'Dit houdt dus in, dat we in ieder geval feil gaan wanneer we onze categorie van vervulling aldus interpreteren, dat in en door het Nieuwe Testament het Oude Testament op de een of andere wijze achterhaald, vervangen, verbeterd, of veranderd zou zijn' (7)
Vervulling is, aldus Van Ruler, een messiaanse categorie en uitdrukkelijk géén eschatologische. Het niet in acht nemen van dit onderscheid leidt tot fatale verwarring. (Met name ook in het gesprek met Israël!) We zijn door de vervulling van de wet en van de profetische beloften in Jezus Christus 'nog niet terechtgekomen in de eschatologische realiteit, uitgeschreden uit de belofte in de beloofde werkelijkheid, en daarom uit de verwachting in het leven zèlf'. (8) De eschatologische categorie is die van de 'apokalypsis': 'de openbaring, de ònt-dèkking, deze laatste en nieuwe daad Gods, waarin het heil zichtbaar over alle velden der werkelijkheid als de heerlijkheid Gods uitstroomt, zodat wij er in léven kunnen. Maar in de vervulling is dat nog niet geschied.' (9) Verre ervan dat in het NT het leven-in-de-verwachting wordt opgeheven, wordt het daar juist geïntensiveerd en geradicaliseerd. Het is met name het heilshistorisch moment van de Hemelvaart, als de verborgenheid van het heil, waardoor we worden teruggezet in de situatie van de verwachting en het geloof alléén, al betekent dat ook dat we het ons geschonken heil deelachtig zijn 'op de wijze en in de kracht van de Heilige Geest'. (10)
Als we ons dus hoeden voor een eschatologisering van de messiaanse categorie van de vervulling (Gr. 'plèroma'), dan geeft Van Ruler een drievoudig antwoord op de vraag wat vervulling van het OT in het NT nu positief betekent. Ten eerste houdt die term in dat de beloften van het OT 'van kracht geworden' zijn, 'onwrikbaar vast'. Ze zijn in Christus Jezus 'ja en amen'. Ten tweede dat zij 'volledig' zijn geworden. 'Jezus Christus is dan de bundeling en samensnoering van de beloften Gods, die in het Oude Testament min of meer disparaat gegeven zijn'. (11) En ten derde betekent vervulling dat de belofte nu 'zuiver belofte geworden is en ontdaan van bijkans àlle resten van steunpunten in de zichtbare werkelijkheid'. (12) Vervulling betekent dat de belofte totaal belofte is geworden. Daarmee gaat Van Ruler wel heel radicaal in tegen de gangbare betekenis van dat woord.

We verstaan Van Rulers intenties en toespitsingen op dit punt wellicht nog wat beter uit het geheel, uit enkele hoofdlijnen van zijn theologie. Zijn beschouwingen in het geschrift 'Die Kirche und das Alte Testament' uit 1955 staan wat het OT betreft in het bredere kader van zijn theologie als geheel. Die is op haar beurt weer sterk bepaald door zijn visie op het OT, zodat dit alleen in het Duits
verschenen boekje redelijk representatief mag heten voor Van Rulers theologisch 'Anliegen'.
Nu is volgens Van Ruler een diepe misvatting in de theologie dat het doel van de heilsgeschiedenis, van Gods openbaringshandelen in en aan Israël gelegen zou zijn in de Messias Jezus. Het gáát God in Israël niet om Christus, maar het gaat Hem omgekeerd in Christus om Israël, zoals het Hem in Israël gaat om de volkenwereld en in het heilswerk om de geschapen werkelijkheid, 'dass sie vor seinem Angesicht bestehen kann'. (13) Als het schouwtoneel van zijn heerlijkheid. Dat raakt een nerf van Van Rulers op dit punt haast hartstochtelijke theologie. Hoe zeer het ook alles draait om Christus, zowel in de theologie als in het bestaan, het gáat om het mens-zijn en om de wereld.' Wir sind nicht Menschen, damit wir Christen sein könnten, sondern wir sind Christen, damit wir Menschen sein könnten'. (14)  Het christen-zijn als een noodzakelijke, een noodzakelijk gewórden ómweg naar de humaniteit. Het gaat Gód en het moet dan ook óns uiteindelijk (en dus nù al) gaan om de humaniteit van het leven en de samenleving en dat zullen we vooral uit de boeken van het OT moeten leren. Onmisbaar zijn die als het daar om gaat. Zo is en blijft het OT de eigenlijke bijbel'. In ihm hat Gott sich selbst und das Geheimnis, das er mit seiner Welt hat, bekannt gemacht. Jedenfalls alle Güte, aber doch auch alle Wahrheit und dann auch alle Schönheit, das ganze rettende "Seinsverständnis" leuchtet im Alten Testament vor uns auf. Es ist das Buch der Humanität'. (15) Als Christus niet het laatste en enige doel is van Gods wegen met Israël en de wereld, maar 'eine Notmassnahme, mit der Gott so lange wie möglich gewartet hat' (16) , dan heeft dat ook exegetische en homiletische gevolgen voor onze omgang met het OT. Het zal inhouden dat men 'immer wieder aufs neue mit dem alttestamentlichen Text selbst beginnen und beschäftigt bleiben muss, dass man nicht nur suchen darf nach dem, was Christum treibet, und das man das Evangelium von Jesus Christus weder als das einzige Kriterium der Wertung noch als den einzigen hermeneutischen Schlüssel für die Interpretation des Alten Testaments ansehen darf.' (17)
Niet alle pijlen zijn in het OT op Christus gericht. Het is in hem vervuld, van kracht geworden, geldig, ja en amen, maar dat betekent niet dat alles in het OT Christus ademt, van hem spreekt of naar hem verwijst. Eerder omgekeerd:in en door Christus krijgen we oor en oog voor de werkelijkheid zoals die in het OT vanuit Gods Woord ter sprake komt en gestalte krijgt. Daar breidt het heil en de heerlijk- heid, geconcentreerd, maar ook verborgen in Christus, zich uit over de hele werkelijkheid van de wereld en het bestaan.

Alles was er Van Ruler aan gelegen dit theologisch vast te houden en vast te maken: de wereld als het theater en het mens-zijn als de spiegel van Gods glorie. Om dat te leven en dat zo te béleven zijn we in Christus vrij gemaakt en gemachtigd. Maar het gaat in de Redder om de redding, in het heil om de heiliging, in het christen-zijn om het mens-zijn. Voorlopig moeten we om ons levens wil christen zijn. Dat is in onze wereld voorwaarde voor menselijkheid, maar uiteindelijk zullen we alleen maar ménsen zijn. Dát dat zo is en wát dat is horen en leren we op een onvervangbare wijze in het OT als het boek van de humaniteit. We kunnen niet volstaan met het NT. Als heidenen-van-huis-uit 'das Evangelium nicht ständig vom Alten Testament her verstehen, werden sie notwendig stets etwas anderes daraus machen, werden fremde Elemente hineingetragen und es manchmal sogar in sein Gegenteil verkehren' (18) Altijd weer zal de kerk en in haar spoor de theologie de lezing van het OT vanuit Christus moeten hernemen, want daar worden ons Gods bedoelingen met ons en onze wereld geopenbaard. Dat staat in Jezus als de Messias van Israël vast.

Zo worden we vanuit het NT teruggeworpen op Tenach; 'een linie die het houdt' (Breukelman) (19) Van Ruler zei dat op zijn wijze. Anders dan bij Miskotte en Breukelman ontbreekt bij hem nagenoeg zo iets als een 'bijbels abc' als bestanddeel van zijn omvangrijk oeuvre, maar de vele gezichtspunten waaronder hij het OT ter sprake brengt en benadert kunnen onze visie op het OT zeker verrijken.

Noten
1: A. A. van Ruler, Religie en politiek. Nijkerk 1945. p. 123. In deze bundel zijn twee artikelen opgenomen met de titel 'De waarde van het Oude Testament', oorspronkelijk lezingen respectievelijke gehouden op 9 april 1940 en 13 december 1943 te Hilversum en Utrecht.
2: Zie E. J. Beker / J. M. Hasselaar, Wegen en Kruispunten in de dogmatiek. Deel I. Kampen 1978. pag. 146.
3: idem, pag. 144.
4: Heinrich Hepppe, Die Dogmatik der evangelisch- reformierten Kirche. Neukirchener Verlag. 1958. pag. 302.
5: Religie en politiek, pag. 142.
6: idem, pag. 125.
7: idem, pag. 135.
8: idem, pag. 139.
9: ibidem.
10: idem, pag. 140.
11: idem, pag. 143.
12: idem, pag. 144.
13: Arnold A. van Ruler, Die christliche Kirche und das Alte Testament. München 1955. pag. 64.
14: idem, pag. 65.
15: idem, pag. 68.
16: idem, pag. 65.
17: idem, pag. 68.
18: idem, pag. 74.
19: Frans Breukelman, Miskottes inspiratie: tenach en dogmatiek. In: K. H. Miskotte, De weg der verwachting. Baarn 1975. pag. 49.

Uit: Om het levende Woord (6). Kampen 1996
(c) Rens Kopmels