Jürgen Moltmann

In het einde ligt het begin

Jürgen Moltmann is zijn theologische thema levenslang trouw gebleven. Hij maakte in 1964 furore met zijn boek 'Theologie der Hoffnung' en (ruim) veertig jaar later verscheen in Nederlandse vertaling 'In het einde ligt het begin. Een kleine leer van de hoop'. (Boekencentrum 2006, ISBN 90 239 1958 0. 175 pag. Prijs: € 19,50).

We kunnen dit werkje van harte aanbevelen. (De Duitse titel is 'Im Ende – der Anfang', Chr. Kaiser Verlag 2003).


Rond drie sub-thema's heeft Moltmann zijn boekje opgezet: geboorte, wedergeboorte en dood en opstanding. Vooral het laatste deel intrigeerde me. Tastend en vragend zoekt de auteur hier zijn weg. Het geloof in de opstanding zal in de gemeente van Christus minimaal betekenen dat met de / onze dood 'niet alles voorbij is'. De dood is het einde van het leven, maar niet de laatste werkelijkheid van het menselijk bestaan. Hoe dat te denken en hoe dat te zeggen?

Eeuwenlang en nog steeds wel dacht men aan de 'onsterfelijke ziel' als het ging om de vraag wat er bleef van de mens na zijn dood. 'De dood doodt haar niet' (p. 109). De ziel is als een vogel die bij het sterven aan haar kooi ontsnapt, 'haar vleugels uitslaat, door stille landstreken vliegt als vloog zij naar huis'. Íedere gevangene in zijn cel en iedere zieke op zijn ziekbed, zegt Moltmann, zal dit verlangen 'naar wijde ruimte waarin geen benauwdheid meer is' herkennen. Zonder grond in de belevingswereld is die gedachte van de onsterfelijke ziel zeker niet. De ziel is (of: ik ben?) slechts te gast in het lichaam, op aarde, 'onder een gelukkig gesternte of als in een gevangenis' (p. 109). De ziel sterft niet, omdat zij ook nooit geboren werd. Ze is eeuwig, voorbij geboorte en dood. Daarom is het de vraag of deze (onsterfelijke) ziel überhaupt vatbaar is voor lijden of in staat tot geluk. Is ze niet 'levenloos'? Eerder een beeld van 'het eeuwige ongeleefde leven' dan van 'het hier geleefde leven'? Existentieel leidt dat 'tot een stoïcijnse houding tegenover de lotgevallen van het leven en tot onverschilligheid tegenover leven en dood', met als deugden 'zelftranscendentie' en 'zelfironie' (p. 110). Men vindt deze levensopvatting in de Stoa niet alleen, maar ook in de Indische wijsheid en het christendom van de traditie is er evenmin vrij van.


Onze ziel is verdwaald in het ondermaanse en wij vinden er niet ons thuis. Je zou ook kunnen zeggen: het menselijk leven op aarde ontstaat in een val en niet als schepping van God. Ook het perspectief van 'de opstanding des vleses' ontbreekt hier ten enenmale. Deze opvattingen hebben consequenties voor de levenswaardering en de levenspraktijk. Onbegrijpelijk zijn ze overigens niet, want – zegt Moltmann 'wie te veel bloedvergieten en te veel lijken heeft gezien kan daardoor verdoofd zijn en uiteindelijk totaal onverschillig tegenover leven en sterven komen te staan' (p. 126). Ook kunnen de frustraties van de levenswil en de levenslust zo hoog oplopen dat we alleen nog verlangen naar 'de eeuwige rust' of naar 'de stilte van de dood'. Red je ziel uit de heilloze verwarring en de smartelijke ervaringen van het leven en de geschiedenis. Want hier beneden is het vaderland van de ziel niet.

Maar als christen en christelijk theoloog kan Moltmann daar niet in meegaan. De bijbel leert toch wezenlijk anders en ook in ons eigen levensbesef is 'ziel' toch eerder de kern van het met liefde geleefde leven dan een onveranderlijke en voor leed en vreugde onontvankelijke substantie. Het klassieke dualisme van een onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam vervangt Moltmann door 'het conflict tussen liefde en dood' (p. 111). Dat lijkt me een goede greep en een vruchtbaar inzicht. De dood is het kwellende en schrijnende probleem voor het liefhebbende, niet voor het onverschillige en onaangedane leven. Maar het is ook waar dat 'de liefde ons niet de vreugde in het leven geeft zonder de pijn van de dood' (p. 126). Waarachtig geluk weet van het ongeluk en verdringt en ontwijkt dat niet.

In dit verband komt Moltmann te spreken over het rouwen bij het verlies van een geliefde. Daarin sterft men zelf, maar daarin kan men ook nieuw geboren worden. 'Wie diep rouwt, heeft sterk liefgehad' (p. 129). In de kracht van die liefde kan men het afscheid en het verlies van de geliefde te boven komen en in dankbaarheid en nieuwe liefde verder leven. Want naast de pijn om het verlies van de geliefde en het eigen verloren-zijn is er in de rouw de troost van 'een onverwoestbare gemeenschap, in de wetenschap dat de dode in God geborgen is en in het bewustzijn zelf in God geborgen te zijn.' (p. 135). 'Want voor Hem leven zij allen' (Luc. 20: 38). Ook de doden; en zij gaan met de levenden eenzelfde toekomst tegemoet, waarin 'er geen dood meer zijn zal' (Openb. 21: 4). 'We zien over de graven en al het afscheid nemen in ons leven heen in die toekomst van God' (p. 134), welke ook die van ons en die van onze geliefde doden zal zijn. Dat maakt het afscheid anders. 'Het verliest zijn tragiek en zijn onherroepelijkheid' (p. 134). De dood is wel het einde van het leven, maar niet het laatste wat er over te zeggen en voor te verwachten is. De dood wordt zijn overwinning al betwist in de gedachtenis waarin de gestorvenen met ons zijn, tot ons spreken en tot leven komen.

Zo kan Moltmann pleiten voor een 'cultuur van herinnering' (p. 143) als tegenwicht tegen de individualisering van het leven en de eenzijdige focus op het actuele. Bij dit laatste komen we in tijdnood, maar in het in ere houden van wie ons voorgingen worden – zou je kunnen zeggen 'onze dagen verlengd', zoals het vijfde gebod uit de dekaloog het wat geheimzinnig uitdrukt. Moltmann: 'We winnen tijd ín de herinnering van wat voorbij is en in de hoop op wat gaat komen' (p. 143). Wie het voorbije in vergetelheid doet wegzinken gaat een lege toekomst tegemoet, want wat is de toekomst anders dan het binnenhalen van de oogst die gegroeid en gerijpt is op de velden van het verleden? Het is de voltooiing van het leven en de geschiedenis; de vergankelijkheid die bekleed wordt met onvergankelijkheid en de sterfelijkheid met onsterfelijkheid. Die toekomst staat nog uit, maar is ook al begonnen in de kracht van de Geest, die in ons woont en in ons werkt. Onze geliefde doden behoren, evenals wijzelf, toe aan deze toekomst. Daarin zullen zij en zullen wij aan het licht en geheel en al tot ons recht komen. Het onvoltooide voltooid, het duistere opgeklaard, het kwade goedgemaakt.

We mogen dat geloven vanuit het perspectief dat ons in het evangelie geopend wordt. En we kunnen dat ook wel geloven als we zelf of onze naasten 'een natuurlijke dood' sterven aan het eind van een nagenoeg voltooid leven, maar dat geloof wordt minstens sterk aangevochten als het gaat om 'het geknakte en verwoeste leven' van de tallozen die 'een voortijdige, gewelddadige en geenszins beaamde dood sterven' (pp. 122, 123). 'De gedachte dat de dood de "vereeuwiging (of de voltooiing) van het geleefde leven" zou zijn, komt totaal niet over bij mensen die niet leven konden en niet leven mochten'; en behalve aan de mensenlevens in de Derde Wereld – ach, o God, al die kinderen in Congo en Oeganda, die sterven en gedood worden vóór ze geleefd hebben denkt de bijna 80-jarige Duitser Jürgen Moltmann daarbij aan de miljoenen jonge mensen van zijn generatie, die het leven lieten in de Tweede Wereldoorlog en een wrede en zinloze dood stierven. Ook die en dat kan en wil hij niet vergeten.

Gedenken is het minste dat wij voor de doden doen kunnen, maar dat gedenken ontleent zijn kracht en zin aan het evangelische geloof in de opstanding en de hoop op de toekomst ook voor de gestorvenen. Bij alles wat er vanuit de levenservaringen en de levensverschijnselen over dood, rouw, hoop en toekomstig leven in positieve zin te zeggen is, is de opstanding van Christus en de daarin voor ons en onze wereld geopende toekomst de dragende vooronderstelling. Valt niet alles terug in vergeefsheid en ijdelheid als dit niet de lichtende horizont is? Ons blijft dan weinig meer dan de (prachtige) melancholie van de dichter J. C. Bloem: 'Voorbij, voorbij, ja en voorgoed voorbij…' Of anders de alle treurnis en melancholie achter zich latende uitspraak van Gerrit Komrij: 'Schater en sterf!'

Men kan het met minder doen om met de dood enigszins in het reine te komen, maar schrijnen en ons verbijsteren blijven de ontijdig en gewelddadig afgesneden levens. Wij kunnen daarmee niet in het reine komen en deze wond – zeker als het een geliefde of een goede makker betreft kunnen we niet helen en ze móet misschien ook blijven bloeden. Maar we mogen wel vragen of Gód, die we in Christus kennen, nog iets kan met deze in de knop gebroken en op het slagveld van een ongerechtvaardigde en zinloze oorlog achtergebleven levens. Is hun dood en daarmee hun korte leven volstrekt zinloos? Wij zijn in ieder geval niet bij machte en niet bevoegd het tegendeel zeggen, maar is het ook voor Gód een eens en voorgoed afgedane zaak waaraan niets meer goed te maken is?

Moltmann schrijft hier in alle eenvoud en kwetsbaarheid: 'Ik geloof dat God het leven dat Hij met een mens is begonnen ook zal voltooien (Filp. 1: 6). Als God God is kan ook de gewelddadige dood Hem niet verhinderen dat te doen. Daarom geloof ik dat de geschiedenis van God met ons leven na onze dood verder zal gaan, totdat die voltooiing is bereikt waarin een ziel rust vindt, tot haar recht komt en gelukkig wordt' (p. 123).

Moltmann heeft hier eigenlijk geen enkel ander argument dan het geloof in de macht van Gods scheppende gerechtigheid. Men kan dat een vrome slag in de lucht noemen waar niemand iets voor koopt en waardoor niets verandert, maar de hoop op deze God maakt het ons mogelijk het leven ondanks zijn grauwheid en gruwelijkheid nochtans te beamen en lief te hebben en het zo veel mogelijk tegen verwoesting en grauwheid te beschermen. Als God het werk dat zijn hand begon niet laat varen, dan moeten wij de hóop niet laten varen. Ook niet – en we spreken hier grote woorden gelàten uit ook niet ten overstaan van de verschrikkingen en de gruwelijkheden van de geschiedenis; ook niet ten overstaan van de hel, op de poort waarvan Dante de spreuk schreef: 'Lasciate ogni speranza, voi ch'entrate' ('Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt'). Het onpeilbare kwaad van geslachtofferde en verwoeste mensenlevens, de gruwelijke praktijken van de kinderoffers tot op de dag van vandaag, we moeten het onder ogen zien en het minstens in ons hart ondergáan en omdragen, maar al dit kwaad gunnen we het niet dat het ons berooft van de levensliefde en de levensvreugde.

Sommigen is dat gegeven zonder dat zij naar eigen zeggen in Christus en diens overwinning op dood en demonen geloven. Moltmann is dat niet gegeven, al kwam hij met Ernst Bloch misschien een heel eind. De ketters en de ketterijen spreken in heel zijn werk (ook in dit) hun woordje mee, maar hij zelf is uiteindelijk een rechtzinnig, luthers theoloog uit de school van Karl Barth. (Men leze bij voorbeeld de verhelderende dingen die hij zegt over het 'gericht' en de 'hel' op de pagina's 145 - 157)


Mij is dat ook niet gegeven, realiseerde ik me scherp bij het lezen van dit boek, dat ik in deze reactie erop nauwelijks recht kan doen. Het bevat veel en veel meer dan ik hier kon aanstippen. Niet alles overtuigde me en niet alles begreep ik goed, maar keer op keer werd ik verrast door treffende observaties en verfrissende en vooral bemoedigende inzichten. Wat dit werkje (misschien) mist aan theologische consistentie wordt daardoor ruimschoots goedgemaakt.


Uit: In de Waagschaal, 12 augustus 2006

(c) Rens Kopmels