Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Marcus 10: 32-45

‘Zoon des mensen’. Zo spreekt Jezus over zichzelf. Meer wil hij kennelijk niet zijn. De titel ‘Messias’, die Petrus hem in zijn belijdenis toekende, neemt hij niet over. Zonder overigens te ontkennen dat die titel hem toekomt. Maar niet anders dan als Zoon des mensen wil (en zal) hij de Messias zijn. Dus niet als iemand die zich verheft boven de mensen, maar als iemand die zich begeeft en bevindt tussen en onder de mensen. Als iemand die hun lot en hun leed deelt en doorstaat. Afhankelijk, behoeftig, sterfelijk, ook hij. Daarin volkomen mens. Dat wil dan bij hem zegen: mens met en niet zonder de mens. Mens vóór en niet tegen de mens. Niet anders dan zo is Hij Messias. En dat is ingrijpend en ver strekkend. Ook voor ons godsbesef en ons godsidee, want alleen in deze mens en in deze menselijkheid is God Gód. Jezus Messias, de Zoon des mensen, is Zijn ultieme openbaring. Niet buiten hem moeten we over God denken en spreken.


Maar wat betekent die titel Messias (of Christus) eigenlijk? Wat houdt dat in? Nu, de Messias is degene die het mensenvolk tot zijn recht doet komen en die in zijn daden van gerechtigheid vrede sticht; vrede, waarin mensen en volken niet langer leven ten koste van elkaar, maar elkaar ten goede. Hij is de Redder en de Rechter. Op zijn komen ter verlossing en ten gerichte staat de hoop van het volk Israël gericht. Want onder zijn heerschappij wordt het leven op aarde en in de tijd in zijn aardsheid en in zijn tijdelijkheid goed en waarachtig leven. Vanuit dat lichtende en veelbelovende perspectief mag het leven vrij en grootmoedig geleefd worden, in hoop en vertouwen, liefhebbend en lef hebbend.


Verder is de Messias koning, priester en profeet in enen. Een drievuodig ambt zou je kunnen zeggen.


Zijn die ambten dan vacant in het Israël van Jezus’ dagen, kun je je afvragen. Nee, toch niet helemaal, moet je zeggen. Er zijn immers de oudsten, de priesters en de schriftgeleerden die het welzijn van het volk behartigen en waarborgen, inclusief hun eigen welzijn trouwens. Zo goed en zo kwaad als dat gaat. Zij vertegenwoordigen - neer in moderne begrippen gesproken- respectievelijk de staatsmacht, de religie of de ideologie en de wetenschap. Daar moeten we het toch ook in onze dagen van hebben. Als die instanties verstek laten gaan breekt de chaos los, de wetteloosheid en de onverzoenlijke en onverkwikkelijke strijd van allen tegen allen. Daar zit toch niemand op te wachten. De messiaanse instanties zelf wel het allerminst.


Daarom begrijpen we ook dat het juist deze instanties zijn die dit mensenkind, dat Jezus is en waarvan het gerucht gaat dat hij de Messias is, niet verdragen in hun midden en hem uit de weg willen ruimen. Ze voelen zich door hem in hun macht en gezag aangetast of minstens ter discussie gesteld. Het heil des volks staat op het spel en het is hun met de uitschakeling van deze Jezus dan ook heilige ernst. Zij wensen geen nieuwe orde, geen andere verhoudingen,waarin de mens, de zwakke, zondige, wispelturige mens centraal komt te staan en niet de vastheid van de instituten en de regels van de Wet.


Ondermijnt Jezus nu inderdaad het gezag van de overheid of het huwelijk, de sabbat, de belastingplicht, kortom de geldende wetten en de beproefde instituties? Daarvan is toch eigenlijk geen sprake. In dit opzicht is Jezus zeker geen revolutionair en zelfs geen opstandige. Je zou hem hierin eerder een gelaten conservatief kunnen noemen. Let wel,geen principiële conservatief! Hij weet van de veranderlijkheid en de vergankelijkheid van de zeden en de maatschappelijke instellingen. Want er komen andere tijden en schijnbaar vastliggende grenzen worden doorbroken en overschreden. Altijd weer. Vertel ons wat, mensen van de 20-ste en 21-ste eeuw! Maar in dit alles gaat het Jezus (en moet het ook ons gaan) om de mens en het menselijk leven. De mens mag niet zoek, niet verloren raken. Niet verkommeren in eenzaamheid en uitzichtloosheid. Niet verdwalen en machteloos stuklopen in het labyrint van de buereuacratie.


Om dat verlorene te zoeken en terecht te brengen is Jezus gekomen. Dat verstaat hij als zijn missie. Zijn erbarmen gaat uit naar de mislukkelingen, naar de ‘loosers’, naar zondaars kun je ook wel zeggen. Want zondaars, dat zijn ook altijd de ‘loosers door eigen schuld of door ons aller schuld.


Nee, Jezus doet niet aan politiek. We moeten hem niet zien als sociale hervormer of als volksopvoeder. Maar de politiek bemoeit zich wel met hem! Hij wordt uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden net alle navrante gevolgen van dien. Maar juist ook daarin is en blijft hij in de meest letterlijke en lijfelijke zin mens onder de mensen. Hij ondergaat op zijn weg nar het kruis een subhumaan lot. In deze overlevering, vol miskenning en onbegrip, bespot en beledigd, gaat hij nochtans vrijwillig en haast vorstelijk zijn weg en volbrengt hij zijn bevrijdingswerk. Dat is de diepe en dragende grondtoon in het lijdensverhaal van de Mensenzoon, zoals de evangelisten ons dat vertellen en verkondigen. Het kruis is geen teken van zijn nederlaag of zijn mislukking, ook al lijkt het daar sterk op, maar het is het teken van de kracht en de vruchtbaarheid van zijn zegevierende liefde.


Dat blijkt uit verschillende vertelelementen uit de passiegeschiedenis. Jezus’ arrestatie in de hof van Gethsemane betekent een vrije doortocht voor zijn discipelen; zijn veroordeling tot de kruisdood doet de misdadiger, Bar-Abbas, op vrije voeten komen; Herodes en Pilatus, die tot die tijd in vijandschap leefden, zoals Lucas ons meedeelt, worden op die dag vrienden; Joden en heidenen verzamelen zich onder het kruis als een eerste gemeente, de scheidsmuur tussen hen wordt er afgebroken en in de spot van de Romeinse soldaten en de hoon van de omstanders spreekt zich desondanks de waarheid omtrent Jezus als de Messias profetisch uit. ‘Dit is Jezus, de koning der Joden’, laat Pilatus, spottend en om de Joden te sarren, boven het kruis schrijven. In de uiterste weerloosheid en passiviteit van zijn kruislijden voltrekt zich niettemin heilsgeschiedenis in talrijke tekenen van verzoening en bevrijding.


We weten het en we vieren het, dankbaar en deemoedig, rond de Tafel des Heren dat zijn sterven vrucht draagt en leven spelt, zijn dood ons brood is, zijn vergoten bloed wijn die het hart verheugt en versterkt. We praktiseren het, als in een ernstig spel, zonder dat we het allemaal begrijpen en bevatten kunnen en ook zonder dat we het in ons dagelijks en maatschappelijk leven helemaal waarmaken.


Dat onbegrip van zijn discipelen, ook van zijn gemeente en van de kerk van alle tijden blijft Jezus tot het einde toe omringen, evenals trouwens ons tekortschieten in onze roeping en ons trage achterblijven op onze bestemming. Dat is ook wel triest en een beetje treurig, al mag het ons tot troost zijn dat het Jezus niet verhindert in de kracht van de Geest zijn weg te vervolgen en zijn werk te volbrengen.


Van dat onbegrip getuigt in onze tekst dat verzoek aan Jezus van die twee discipelen, Jacobus en Johannes, of zij in Jezus’ heerlijkheid of zijn heerschappij ter rechter- en ter linkerzijde van hem mogen zetelen. Zo juist heeft Jezus nog uitdrukkelijk en op een toch niet mis te verstane wijze gezegd dat hij, de Zoon des mensen, ter dood veroordeeld en ter dood gebracht zal worden na bespot, bespuwd en gegeseld te zijn. Maar dat is kennelijk niet tot die discipelen doorgedrongen. Zij zijn gefocust op die heerlijkheid en die heerschappij van Jezus, waar ze weliswaar niet ten onrechte, maar wel uiterst lichtvaardig in geloven. Daarom antwoordt Jezus: ‘Ge weet niet wat ge vraagt. Kunt gij de beker drinken die ik zal drinken en de doop ondergaan die ik zal ondergaan?’ En dan hun antwoord: ‘Ja, dat kunnen wij!’ ‘Wir schaffen es!’ Dat klinkt uit de mond van Angela Merckel moedig, maar uit hun mond overmoedig en vol onbegrip. Ze weten werkelijk niet wat ze vragen. Want die uitdrukking ‘ter rechter- en ter linkerzijde’ komt nog één keer terug in het Marcus-evangelie, waar staat: ‘en met hem kruisigden zij twee rovers, één aan zijn rechter- en één aan zijn linkerzijde’. Daarmee krijgt dat verzoek van die discipelen een huiveringwekkende diepte waar ze geen vermoeden van hebben. Vragen zij daarom? Om onder de misdadigers gerekend te worden en als misdadigers aan het schandhout te moeten sterven?


Nee, dat willen zij niet en dat kunnen zij niet. Deze weg zal Jezus alleen gaan, in de diepste eenzaamheid, verlaten ook door zijn trouwste volgelingen, zijn leven gevend ‘als een losprijs voor velen’. Ook voor hen, ook voor ons.


Golgotha, in al zijn duisternis en gruwelijkheid, mag ons bespaard blijven, maar op de weg erheen, achter Jezus aan, op eerbiedige afstand, worden we niettemin gedoopt in zijn passie. Dat wil zeggen in zijn lijden en zijn strijd omwille van waarheid en gerechtigheid en in zijn innige hartsticht voor de mens en het mensenleven.


Die passie is geen vergeefse, geen nutteloze passie. Die van Jezus niet en ook de onze niet. Want de liefde loont. Dat mogen we, ziende op de Messias Jezus, geloven, ook of juist in een wereld vol onrecht en onzin, vol gevaren en ongewisheden, van horizont tot horizont. We mogen en moeten –in de verticaal van de opstanding, om zo te zeggen- metterdaad geloven in de kracht en de vindingrijkheid van de liefde, die in de Messias openbaar en vruchtbaar geworden is. Daarin handelen en wandelen. We hebben ook geen andere keus, als het leven op aarde ons lief is.


AMEN


(oktober 2015)


(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]