Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Exodus 15: 22-27

Eerste zondag na Pasen

Op deze eerste zondag na het Paasfeest klinken de paasliederen en de paasjubels nog na in onze oren. Want ondergegaan in de wateren van de Schelfzee is de Egyptische Farao, opgestaan van tussen de doden is Christus, onze Heer en broeder; ons vooruit, ons ten goede, ons nieuwe levenskracht schenkend. In Hem en door Hem zijn we 'wedergeboren tot een levende hoop', zal de apostel Petrus zeggen.
De heerschappij van de dood is gebroken en dat mag en moet in een blijmoedig en opgewekt feest gevierd worden; bezongen in krachtige, vrolijke liederen. 'Wees gegroet, gij eersteling der dagen, morgen der verrijzenis, bij wiens licht de macht der hel verslagen en de dood vernietigd is'. Dat zijn krachtige tonen, dat is forse taal. Misschien zelfs iets tť fors, zou ik denken. Want- zťker-: Christus is overwinnaar. Dat staat vast. Hij heeft dood en verderf een beslissende slag toegebracht, maar vernietigd en vezwolgen in de overwinning zijn dood en verderf toch nog niet, althans niet in onze wereld, in ons leven. Daarin gaat dat lied toch enigszins over de schreef. Wťl is dat belofte, werkzame belofte, die onze vrees voor de dood verjaagt en die ons leven doet in goed vertrouwen en met een opgeheven hoofd. We erkennen hoger majesteit dan die van de dood n.l. die van de opgestane Heer wiens overwinning ook openbaar zal worden in ons leven en onze wereld. Straks en daarom ook nu al, want zijn toekomst is begonnen en dat blijkt ook in paastekenen en paasritselingen in ons bestaan en in de wereld om ons heen.
We zijn inderdaad met Pasen 'wedergeboren tot een levende hoop' Dat kunnen en mogen we niet terugdraaien. Dat moet niet 'nog eens komen te gebeuren', zoals de bekommerden onder ons menen, maar dat is gebeurd! Als deze zon met zijn licht en kracht de ruimten verovert dan můeten de bomen en de struiken wel uitbotten, dan moet het land zich wel tooien met de kleur van de hoop, met het jonge groen. Zo gaat de natuur ons voor in de paasvreugde en de paasvrede; en wat zouden wij dan achterblijven?
Maar mensen zijn mensen en ze steken dieper in de zonde dan de knotwilgen, de peppels en de lammetjes.Tragen van hart zijn we, ongelovigen als Thomas. De Geest moet ons te hulp snellen en het geloof en de hoop in ons wekken en onderhouden. Nu, dat doet de Geest. Hij maakt het geloof -als bij Thomas- in ons wakker, hij maakt de vreugde in ons los, hij geeft ons kracht en nieuwe moed. Onder zijn regie zijn we 'een nieuwe schepping', ons 'oude Adam'-bestaan te boven. Soms, even, in een begenadigd ogenblik.
Het zal niet betekenen dat ons beproevingen bespaard blijven. Het geloof is geen gemakkelijke of goedkope zaak. Het wordt steeds weer op de proef gesteld, getest, want we zijn na de doortocht door de Rode Zee nog niet onmiddellijk in het beloofde land.

Daarvan horen we in het stukje Exodus dat vandaag op het leesrooster staat. 'Toen liet Mozes de kinderen IsraŽls opbreken van de Schelfzee (waar zo juist nog het paaslied gezongen werd) en zij trokken de woestijn Sur in; drie dagreizen ver, zonder water te vinden.'
Dat is behoorlijk ontnuchterend. Het volk dat zo even nog zong en jubelde over zijn bevrijding uit het slavenhuis strompelt nu voort in het hete zand van de woestijn. En het morren is hun nader dan het loven. Dat is bepaald niet een land vloeiende van melk en honing, maar onherbergzaam gebied, 'zonder water'. De vreugde om de verkregen vrijheid daalt al spoedig tot het nulpunt. En als ze dan eindelijk water vinden blijkt het brak water te zijn, bitter, niet te drinken...
In Egypte werd het leven de kinderen IsraŽls bitter gemaakt door de harde slavenarbeid, zoals we hoorden in hoofdstuk 1 van het boek Exodus, maar ook hier -na de uittocht uit het slavenhuis- treft hen 'bitterheid'. Zo komen ze van de ene bitterheid in de andere. Maakt het eigenlijk wel uit of het Pasen is geweest? Het leven wordt er niet op slag beter van en de wereld is voor velen en soms ook voor onszelf niet veel anders dan een woestijnachtig gebied zonder waterbronnen.

'Mara' heet die plaats, 'bitteroord'. Het is dezelfde naam waarmee Naomi in het boekje Ruth genoemd wil worden als zij als weduwe en beroofd van haar twee zonen terugkeert in haar geboorteland. Als Naomi, de liefelijke, ging zij heen; als Mara, de bittere, keert ze terug. Maakt het leven met zijn tegenslagen en teleurstellingen, met rampspoed en ellende die mensen overkomen hen niet haast altijd bitter? Maar is het, aan de andere kant, geen wůnder dat mensen ondanks alle bitterheid die hen overkomt toch nog dapper en soms zelfs vrolijk en dankbaar kunnen leven?

Bitter is het water bij Mara; bitter ook is de ontgoocheling zo kort na die grandioze bevrijding. Het volk mort tegen Mozes, de man Gods. Weinig is er nog over van de vreugde en de lofprijzing van Pasen. Het ontbreekt aan drinkbaar water en dorst is verschrikkelijk, om gek van te worden.
Mozes wijst het morren en klagen van het volk niet af. De wanhoop van de mensen maakt hij tot de zijne en -lezen we- 'hij riep luide tot de Here'.
En dan is er een plant, een hout, dat de Heer hem aanwijst en dat het water zoet maakt, drinkbaar. We kunnen ons goed voorstellen hoe gretig en gulzig er toen gedronken is door de van dorst versmachtenden, maar het mag ons opvallen dat de tekst daar geen enkele melding van maakt. Daar gaat dit verhaal stilzwijgend aan voorbij. In plaats daarvan lezen we dat het volk te horen krijgt dat het moet leven van Gods woorden, van zijn beloften en geboden. Niet omdat dorst en honger, armoede en ontbering onbelangrijk zouden zijn, maar omdat in het horen van Gods Woord het geheim is gelegen van het leven en overleven in woestijngebied. Dan komt het ook wel in orde met water en brood, met spijs en drank, als er in onvruchtbare tijden en in onherbergzaam land gerechtigheid wordt betracht. Het is de Wet als Gods gave midden in de woestijnreis die het volk doet leven en overleven. Dat wil dit verhaal ons ongetwijfeld zeggen en inprenten. De orde van Gods Woord en van Gods weg is een heilzame orde en bewaart ons bij het leven en de vrijheid. Hoort dan naar zijn stem! Hij wijst de weg in de woestijn waar zich geen weg aftekent. Betracht zijn geboden en gedenk zijn beloften. Dan zal er brood en water zijn, genoeg voor iedereen, ook in karige tijden en op onvruchtbare plaatsen. Het horen naar Gods Woord en het doen van gerechtigheid houdt de wereld bijeen en bewaart ons bij het leven.

Zeker, in de verwarring van het leven en de verschrikkingen van de wereld kunnen we de wanhoop nabij zijn en kan paniek en angst ons overvallen. De dingen kunnen ons tot een bitter raadsel en tot een zware beproeving worden. Dat wordt ook ons niet bespaard. Ook wij kunnen de woestijn niet overslaan en regelrecht het beloofde land intrekken. Daarom komt het ook voor ons aan op geloof, op het horen naar Gods wegwijzende en bemoedigende woorden. Daarin is belofte van leven Gods Woord heeft zich krachtig en heilzaam betoond, wonderlijk bevrijdend. Het is daarom goed dat we de klanken van het paasfeest nog in de oren hebben als het gewone leven met al zijn moeiten en zorgen weer begonnen is. Goed, dat we weten van 'die eersteling der dagen', die al onze dagen draagt, ook de gewone, ook de moeilijke en de donkere dagen. Dan zullen we water vinden in de woestijn, leven waar geen leven mogelijk lijkt, gaan van kracht tot kracht en misschien zelfs van wonder tot wonder.

Maar het korte sprekende verhaal uit Exodus dat we vandaag lazen eindigt niet in Mara. Het loopt niet vast in de bitterheid van die plaats. Het hout dat de Here Mozes aanwijst maakt het bittere water zoet, drinkbaar (en we begrijpen dat de oude kerk hierin een verwijzing hoorde naar het kruishout waaraan onze Heer stierf. Immers dit bittere heeft hij met Pasen zoet gemaakt!) Mara wordt achtergelaten, gepasseerd en dan komen de kinderen israŽls in ELIM. Nog altijd zijn we natuurlijk in de woestijn, maar dit is een oase: twaalf waterbronnen zijn er, voor elk van de stammen van IsraŽl ťťn en niets horen we meer over bitterheid. Twaalf heldere bronnen en dan ook nog zeventig palmbomen, oprijzend als zeventig rechtvaardigen,( want als een palmboom, als een 'tamar' zal de rechtvaardige groeien, staat er in Psalm 91). Het is een beeld van de toekomst van de volkerenwereld tot vrede gebracht door gerechtigheid. Van lichtglansen en voortekenen van die toekomst zijn we ook in de woestijn van ons leven en van onze wereld niet verstoken. Dat mag ons tot troost en bemoediging zijn.

Het geheim daarvan ligt beloten in die naam Elim, die betekent: God, 'EL', is in ons midden.

AMEN

(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]