Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Genesis 19: 1-30

Van Sodom en Gomorra horen we in het boek Genesis voor het eerst in hoofdstuk 13, waar de wegen van Abram en zijn neef Lot uiteengaan. Lot vestigt zich dan in de streek van de Jordaan, waar Sodom ligt en waarvan gezegd wordt dat ze is 'als de hof des Heren, als het land Egypte'. Vruchtbaar en welvarend land!
Maar we horen daar ook: 'de mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig voor de Here.'
Over de aard van die slechtheid en zonde krijgen we nauwelijks inlichtingen. We kunnen er naar raden en gissen. Nu, dat is dan ook gebeurd. In de verbeelding der eeuwen werden Sodom en Gomorra poelen van verderf, oorden van losbandigheid, waar de vuige en lage hartstochten hoog oplaaiden. Het zijn namen geworden verbonden met sexuele perversiteiten. Maar deze beeldvorming vindt toch maar weinig steun in de bijbelteksten. Ze is voor het grootste deel ontsproten aan onze eigen fantasie.
We menen ook wel te begrijpen hoe dat werkt. Want door Sodom en Gomorra zo in te kleuren kunnen we onszelf op een flinke en veilige afstand houden. We hebben er in het algemeen een handje van om het kwaad van de zonde te lokaliseren in de dingen die we zelf niet doen, die bij ons en in onze kring niet of nauwelijks vóorkomen of zo'n vaart niet lopen. Dan kunnen we ons troosten met de valse troost dat het met onze zonden nog wel een beetje meevalt. De blindheid voor de eigen zonde behoort tot de zonde zélf. Als we de slechtheid van Sodom zo zwart en donker mogelijk afschilderen, dan raakt dat verhaal van Gods gericht over die steden ónze steden, ónze samenleving niet of nauwelijks.

Maar dat is nog maar de vraag! In het NT (Lucas 17:27), waar van Sodom sprake is, worden de bezigheden van haar inwoners beschreven in termen van 'eten en drinken, kopen en verkopen, planten en bouwen'. Daarin bestaan de alleszins eerbare activiteiten van deze nijvere steden. Er wordt daar gewerkt aan de toekomst, gezorgd voor welvaart, voorzien in het eigen onderhoud. Daarin lijken Sodom en Gomorra -verre van oorden van losbandigheid te zijn- onthutsend veel op onze eigen steden, onze eigen samenleving. Des te klemmender wordt daardoor de vraag naar de aard van Sodoms slechtheid. Want die ordentelijke zaken van eten en drinken, kopen en verkopen, planten en bouwen zullen op zichzelf toch niet het gericht van God over die steden oproepen?
Nee, dat niet. Al zullen we niet te gauw moeten zeggen: 'daar steekt geen kwaad in'. Want het kwaad van de zonde kan zich er wél in nestelen, in schuilgaan en dan onverhoeds de kop erin opsteken, naar buiten slaan. Plotseling kunnen algemeen aanvaarde en alleszins als fatsoenlijk te boek staande praktijken zich onthullen in hun bruutheid, genadeloosheid, onmenselijkheid. De maatschappelijk weerloze kan er de dupe van zijn, of de vreemdeling, of de zondaar tegen de heersende moraal.
Verkijken we ons dus niet op de nijverheid en de welvaart van Sodom en Gomorra! Het oordeel van de Schrift luidt: 'slecht en zondig voor de Here'. Deze zo goed en schoon ogende steden zijn 'slecht en zondig' voor ogen die dieper en scherper zien dan het schone oppervlak.

Om te zien of zij inderdaad gedaan hebben naar het geroep dat tot Hem gekomen is, staat er in het voorafgaande hoofdstuk, daalt de Here God af naar Sodom en Gomorra in de gestalte van die twee boden, die twee engelen. God gaat niet zonder meer af op een gerucht. Hij wil het zelf zien en weten. Zullen Sodom en Gomorra inderdaad die goddeloze steden zijn waarvoor ze doorgaan én: waarin bestáat die goddeloosheid dan?. Het bezoek van de Heer in de gestalte van de twee boden moet daarover uitsluitsel geven.
De boden komen de stad binnen via Lot, Abrahams neef. Deze begroet hen bij de poort, ontvangt hen in zijn huis en biedt hun een maaltijd en een nachtverblijf aan. We merken op dat het allemaal wat vormelijker en soberder toegaat dan in het vorige hoofdstuk bij Abraham in diens tent. Daar werd het gemeste kalf geslacht en de onverwachte vreemdelingen werden er uitbundig onthaald. Bij Lot worden er ongezuurde broden, matzen, gebakken en aan de gasten voorgezet. Dat is woestijnproviand temidden van de welvaart van Sodom, terwijl we ons in Abrahams tent, in woestijnachtig gebied en met de onvruchtbare Sara in de buurt, al in het beloofde land leken te bevinden.
Een merkwaardig contrast tussen Abraham en Lot, maar toch is er ook overeenkomst: Lot is een wat schriele Abraham, een schaduw van zijn oom, maar tóch: een gastvrij mens, een Abrahamsfiguur. We moeten het hem nageven.

Nu, die gastvrijheid geldt bepaald niet voor de ingezetenen van Sodom zelf, voor de autochtone Sodomieten. Want Lots gasten hebben zich nog maar amper te ruste gelegd of het volk van Sodom loopt te hoop, omsingelt het huis van Lot en men schreeuwt om die mannen met weinig verheffende bedoelingen. Zij willen die gasten te lijf, letterlijk en met grof geweld te lijf, te lijf met hun losgeslagen driften en boze lusten. Het is allemaal grof, bruut, uiterst onheus en aan die scène dankt Sodom ongetwijfeld zijn slechte reputatie.
En dan de reactie van Lot! Die is misschien goed bedoeld, maar eerlijk gezegd toch ook nogal sodomietisch: hij biedt n.b. zijn twee dochters aan en zegt daarbij: 'laat mij die tot u naar buiten brengen en doet men hen, zoals goed is in uw ogen.' Maar de mannen van Sodom duwen Lot opzij en voegen hem de venijnige opmerking toe dat zij zich niet door deze vreemdeling de wet laten stellen.

Ziet U, dat is nu Sodom, zou ik denken, ten voeten uit. In deze onheuse bejegening van de vreemdeling in hun poorten onthullen de Sodomieten zich in al hun kwaadaardigheid. Sodom blijkt een ongastvrije, onherbergzame stad te zijn, vol wantrouwen en afkeer tegen de vreemdeling, tegen het niet-eigene. Het laat zich niet door onverwachte gasten verrassen en begenadigen, zoals Abraham dat wel deed bij zijn tent. Het leeft op eigen kracht en het voorziet glansrijk in zijn eigen voortbestaan.
Sodom is de stad, het land, de méns die zichzelf genoeg meent te zijn. Het minacht de komende mens. Sodom ziet niet uit naar de komst en naar de dag van de Zoon des mensen!
Ja, waarom zouden Sodom en Gomorra dan nog langer voortbestaan, nog ruimte beslaan op Gods goede aarde? Als het zichzelf genoeg, is het ook genoeg geweest!? Want bouwen aan de toekomst zonder de komende mens te verwachten en te begroeten is toch zinloos? Rijkdom opstapelen waar niemand in deelt is toch in wezen ármoede, alleen maar domme zelfzucht?
Sodom is de stad, de samenleving, die de mens die anders is, ons niet gelijk, veracht en verguist; de stad die de Messias niet verwacht en die de Here niet erkent en herkent in de nederige gestalte van zijn boden, van de vreemdelingen in hun midden, van de geringste van zijn broeders en zusters.
Sodoms goddeloosheid is deze mensen-verachting, deze agressieve ongastvrijheid, deze vreemdelingenhaat.

Ja, en daarom worden die steden omgekeerd, want hun inwoners hebben zichzelf buiten de heilzame orde van Gods Wet geplaatst. Zij laten zich niet door Gods Wet gezeggen, leren en leiden, niet richten en zegenen en wie dat niet doet zal zelf door Gods Wet gericht worden. Zo maakt Sodom zich tot het voorwerp van Gods gekwetste liefde en dat wil zeggen: van zijn brandende toorn. De stad, het land, die zij de vreemdelingen niet gunnen, worden nu de Sodomieten zelf niet langer gegund. De goddelijke maat is vol! 'Wij gaan deze plaats verwoesten', spreken de boden.

De rest van het verhaal voltrekt zich dan als in een soort boze droom, een nachtmerrie. Lot moet vluchten, in allerijl, in paniek, tegen het spotlachen van zijn schoonzoons in, met achterlating van al zijn verworvenheden, arm en berooid als een balling, met zijn vrouw die omziet en dan achterblijft als een zoutpilaar. Zij kan Sodom niet loslaten, ook niet als die stad wordt omgekeerd en in een rokende puinhoop verandert.

Het is een huiveringwekkend en gruwelijk verhaal dat ons in dit hoofdstuk van het boek Genesis verhaald wordt. Vooral ook omdat Sodom en Gomorra meer weg hebben van onze eigen wereld dan we aanvankelijk misschien dachten en dan ons lief is. Onze wereld lijkt soms op die van Sodom in haar onbarmhartigheid, onmenselijkheid, haar eigendunk en eigenwaan; en soms dan ook op Sodom in haar dreigende ondergang en de feitelijke catastrofen in veelvoud.

De angstige vraag is: mogen we hopen op uitkomst, op redding? We kunnen er vanuit dit verhaal dit van zeggen: ja, er is een hechtpunt voor onze hoop, ook in dit gedeelte van het boek Genesis en dat is de lichtende gestalte van Abraham. Abraham staat aan het begin van het verhaal van Sodoms verwoesting, pleitend voor Gods aangezicht voor Sodoms behoud, en hij staat ook aan het eind, zwijgend en ziende.
De gruwel van Sodoms ondergang is ingelijst, ingeklemd in de geschiedenis van Abraham. Deze verschrikking gaat allesbehalve aan Abraham voorbij, hij is er bepaald niet onverschillig onder, maar- ook dat mogen we zien en horen-: de geschiedenis gaat met hem verder. We lezen: 'Toen God de steden der streek verwoestte, gedacht God Abraham en Hij leidde Lot (de neef van Abraham en diens schaduwbeeld) uit het midden der omkering, uit het midden van de catastrofe.

God gedenkt Abraham en in hem allen die kinderen van Abraham zijn en zich bevinden op zijn spoor en op het spoor van Abrahams Zoon, Jezus Messias. Dat mogen we horen als het evangelie in dit gruwelijke verhaal.
Laten we dan als gemeente en als mensen die horen bij de gemeente treden en blijven op dit spoor, op deze weg, biddend en ijverend voor het behoud van de wereld en de hoop niet laten varen, ook niet als we horen van de dreigingen en de verschrikkingen in de wereld, als onze ogen de rampen zien gebeuren.

God geve dat we ook dan staande en gaande blijven, handelen en wandelen in geloof, hoop en liefde.

AMEN

(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]