Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

1 SamuŽl 16

Het verhaal dat we lazen is het eerste verhaal in het boek SamuŽl over koning David. En het is tegelijk een principieel verhaal. D.w.z. dit begin bevat het beginsel van zijn koningschap, de grondbeginselen van zijn koninkrijk. De koning is een herder, zou je dit stuk als opschrift kunnen meegeven. David wordt als herder geroepen; en hij blijft dat, ook als hij straks zijn schapen in de letterlijke zin van het woord achter zich zal laten. De (ware) koning zal een herder zijn!

Ondertussen is Gods keuze voor deze herdersjongen wel verrassend en die wordt ons ook op een verrassende en kostelijke wijze verteld. Ook de profeet SamuŽl is er niet op bedacht. Hij is naar het huis van IsaÔ in Bethlehem gezonden om daar de nieuwe koning over IsraŽl te zoeken en te zalven. Wie zal het zijn uit die rij van IsaÔ's zonen? SamuŽl verkijkt zich al direct op de oudste, op Eliab, een imponerende, rijzige gestalte. Die moet het zijn, denkt SamuŽl bij zichzelf, de nieuwe koning, de Gezalfde des Heren. Maar de Here geeft hem te verstaan: 'Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen'.
Verworpen! Dat woord herinnert ons aan de verwerping van Saul waarvan even eerder nog sprake was. En deze Eliab is met zijn rijzige postuur onmiskenbaar een Sauls-gestalte, van wie we eerder hoorden dat Ď hij hoger was dan al het volk, van zijn schouder en opwaartsí.(1 Sam.10:23). SamuŽl is blijkbaar nog zo in de ban van koning Saul dat hij afgaat op iemand die op hem lijkt. Maar de profeet leert snel en bij de volgende zes zonen van IsaÔ vergist hij zich niet meer. Ook deze heeft de Here niet verkozen. Tot zeven keer toe moet hij dat zeggen.
Dan vraagt SamuŽl aan IsaÔ: 'Zijn dat al de jongens?' IsaÔ moet wel even nadenken, maar zegt dan: 'Ach, de jongste is nog over en zie, hij weidt de schapen.'
Die jongste werd bij die plechtige bijeenkomst in het huis van IsaÔ kennelijk niet eens gemist. Die telde nauwelijks mee, die zit achter de schapen aan en loopt liedjes te fluiten in het veld; die loopt vlinders te vangen en steentjes te keilen naar de vissen in de beek. Niemand denkt in ernst aan David.
Maar SamuŽl zegt kordaat: 'Laat hem halen, want we zullen niet aanzitten, voordat hij hier is gekomen.' Dan wordt David erbij gehaald en zie, staat er: 'Hij was rossig, had mooie ogen en was schoon van aanzien.' En de Heer zei tot SamuŽl: 'Sta op, zalf hem, deze is het.' Deze herder zal koning zijn.

Het mag ons opvallen dat de tekst even aandacht vraagt voor de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Davids verschijning. Dat is tamelijk zeldzaam in de Schrift. Gods voorkeur en aandacht gaan uit naar het zwakke, het arme, het onaanzienlijke. Dat is wel waar, maar daarom moeten we niet gaan denken dat Hij het mooie versmaadt en het sterke en welgevormde veracht. David mag gezien worden met zijn rossige haar, zijn mooie ogen en zijn sierlijke gestalte. Nee, nee dat is zeker niet de reden van zijn uitverkiezing (die redenen neemt God uit zichzelf, zoals een oude zegswijze dat uitdrukt), het is hooguit een teken van zijn uitverkiezing. God is ons niet genadig, omdat we ze goed en zo mooi zijn, maar het is wel zo dat zijn genade en goedheid ons leven goed en mooi kunnen maken; en dat zelfs in alle tegenspoed en bij alle tegenslag. David zal dat ook ondervinden: in alle tegenspoed zal hij nochtans vůůrspoedig zijn en bij al het lelijks dat er van hem gezegd kan en ook zal worden, moeten we toch oog hebben voor de gratie van zijn verschijning.

Dan volgt er een belangrijk moment in de tekst: SamuŽl zalft David temidden van zijn broeders. Die staan allen in een kring om hem heen. Dat is een prachtige symbolische scŤne. Van nu af aan zal David centraal staan in IsraŽl en ook in de Schriften van IsraŽl. Hij temidden van al zijn broeders.
Dan lezen we: 'Van die dag af en voortaan werd de Geest des Heren vaardig over David.' Vanaf nu zal die Geest niet meer van hem wijken. Die zal blazen in zijn oor en waaien om zijn hoofd en door zijn rossige haren; die zal hem alles ingeven wat een mens kan verzuchten en verlangen; die doet hem verstaan wat er ruist langs de wolken en fluistert in de bomen, wat er leeft en beeft in de harten van de mensen. Want deze herder-koning zal ook een dichter en een zanger zijn. Hij zal de steppe doen bloeien als een narcis en deze herder zal zijn kudde doen nederliggen in grazige weiden en voeren naar zeer stille wateren...
Dat hele belofterijke perspectief opent zich als we lezen en horen: van die dag en voortaan werd de Geest des Heren vaardig over hem...

Wat is nu het eerste wat David als Gezalfde doet? Ook dat is onze aandacht waard. Het is veelzeggend en ook heel ontroerend. David wordt ontboden aan het hof van koning Saul om de boze geest te verdrijven die Saul Ė haast op datzelfde moment, kun je wel zeggen - heeft aangegrepen. En zoals Saul zelf destijds als zijn eerste koninklijke daad de Ammoniet Nahas, de slang, verdreef, zo gaat David de boze geest verdrijven die Saul kwelt en angst aanjaagt.
Aangekondigd wordt David aan het hof van de koning als 'een dappere held, een krijgsman, welbespraakt en schoon van gestalte', maar al deze kwaliteiten worden gedragen en omrankt door Davids speel-en zangkunst. Zů zal deze herder koning zijn: als een speler op harp en tamborijn, als een dichter en zanger van psalmen en liederen.
Maar er valt nog meer af te lezen en te leren uit dat prachtige, kleine stukje tekst. David, ofschoon gezalfd tot koning, komt tot Saul als diens dienaar, als een knecht. En dat is al evenmin als zijn herderschap van tijdelijke of voorbijgaande aard. Want David zal Saul dienen en eren tot het einde. Levenslang. Hij zal altijd naar Saul opzien als naar de Gezalfde des Heren, die Saul is ťn blijft, ook als God hem terugzet, naar achteren schuift. Saul, de door God afgewezen en verworpen koning, wordt door David nu juist nooit en nergens afgewezen of verworpen.
Dan staat er: 'Hij (d.i.David) had hťm (d.i. Saul) lief.' Zo moet je het vertalen m.i., al heeft dan de door ons gebruikte bijbelvertaling: 'Deze (d.w.z. Saul) hield veel van hem (van David).' Die draait het dus om. Dat kan ook wel en dat is, hier althans, ook nog wel het geval, maar dat is toch minder goed. David had Saul lief. DŠar gaat het om en dat is weer zo'n zinnetje dat we moeten onderstrepen en goed in ons hoofd moeten houden in die dramatische en aangrijpende reeks verhalen van Saul en David die er gaan volgen. Want David is koning als een knecht, nog nauwkeuriger gezegd: als een dienaar van Saul. Dat is nu precies het verschil met Saul; Saul, die geen heer boven zich en geen mens naast zich duldt en erkent. Dat wordt en is Sauls eenzaamheid, zijn rampspoed, zijn wanhopige verlorenheid.

Die verhalen van Saul en David horen tot de mooiste in de bijbel, zou ik denken. Maar toch kan de vraag opkomen: waarom lezen we die in de gemeente; de gemeente, die op naam staat van Jezus Messias? Dat is niet zonder meer duidelijk en vanzelfsprekend. Kunnen we niet met Jezus, met zijn woorden en de verhalen over hem volstŠan? Het antwoord moet toch ontkennend luiden zijn, want daarmee zouden we Hem, Jezus Messias, maar ook onszelf ernstig te kort doen. We weten het ook wel dat dat niet aangaat, want Jezus is immers 'de zůůn van David', zoals hij in het NT meer dan eens genoemd wordt en tot de volheid van zijn messiaanse koningschap behoort ook David. We hebben in de gemeente niet alleen maar met Jezus te maken, maar in Hem krijgen we ůůk met al die anderen te maken waaraan hij zich onlosmakelijk verbonden heeft en onder wie David zo'n prominente plaats inneemt. De omtrekken, de contouren van Jezus' koningschap en koninkrijk tekenen zich al af in het koningschap van David.
Het beeld dat we vanuit de evangeliŽn van Jezus hebben is ůok dat van de herder; de goede herder, die zijn leven inzet voor zijn schapen; van de priester die zijn leven geeft tot een losprijs voor velen; van het lam dat de zonden der wereld draagt en wegdraagt. Dat is terecht en ter zake. Uit dat herderlijke, dat priesterlijke, dat knechtelijke rijst en licht zijn koninklijkheid op. Dat is nooit en nergens anders. Deze koning is altijd een knecht, een kind, een dienaar geweest. Juist daarin glanst zijn heerlijkheid en majesteit op. Maar: die zijn er ook onder verborgen. Zijn heerlijkheid en zijn koninklijkheid zijn verborgen onder de lijdensgestalte, ja, de kruisgestalte. Van Jezus wordt dan ook nergens in het evangelie gezegd dat hij 'schoon van aanzien' is en uit zijn mond wordt weliswaar geen klacht, maar ook geen lied gehoord. Nergens zingt Jezus of lŠcht Jezus, in de evangeliŽn. Hij is geen psalmdichter of harpspeler en althans schijnbaar geen minnaar van het schone en welgevallige.
Nu, dat komt door het werk dat hij moet verrichten op aarde en onder de mensen. Zijn heilandswerk. De zoon des mensen heeft een zware dienst op aarde. De zonden en de ziekten heeft hij op zich genomen. Die draagt en neemt Hij weg in zijn passie, zijn liefde tot het einde.
Maar: dat zal niet betekenen dat er in zijn koninkrijk niet gezongen en gelachen mag worden, dat er geen schoonheid te genieten valt en we geen vreugde zouden mogen beleven aan het mooie, het grootse, het verrukkelijke. Dat dat wťl zo is gaan we verstaan als we bedenken dat in het rijk van Christus ook David met zijn harp en trouwens ook David in zijn grandioos levensavontuur zijn plaats krijgt; en ook Salomo, de vredevorst in al zijn heerlijkheid en rijkdom.
Wat het koningschap van Jezus inhoudt in zijn wijde strekking, in zijn hoogte en diepte, zijn breedte en lengte dat kunnen en moeten we ook lezen en leren bij David als de koning naar Gods hart. Daarom horen die spannende en ook wel tragische verhalen van David en Saul er helemaal bij.
Jezus is niet zonder hen en zij zijn niet buiten Jezus te verstaan. In Jezus vinden ze hun gerechtigheid. In hem worden ze geoordeeld ťn begenadigd.
Dat zal en mag ook gelden voor al de zijnen. Voor ons. Wie we ook zijn en wat we ook deden of misdeden: in Jezus vinden we - onder zijn oordeel en door zijn genade - onze gerechtigheid. We komen door hem tot ons recht en aan onze eer, tot onszelf, als de mensen die we zijn.
Geloof daarom in Hem! En leef vanuit dat geloof met een vrij en vrolijk hart. Als herderlijke, koninklijke mensen.

AMEN

(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]