Johannes 16: 16-24

Rogate

Deze vijfde zondag na Pasen, vlak voor Hemelvaart, heet in de kerk 'Zondag Rogate'. 'Rogate' is Latijn en betekent, letterlijk vertaald: vráágt of ook bidt.
De gemeente wordt speciaal op deze zondag opgeroepen om te bidden. Dat schijnt terug te gaan op oude kerkelijke tradities van biddagen voor het gewas in deze tijd van het jaar, maar er is ook reden om juist nu, op dit moment van het kerkelijk jaar op te roepen tot gebed. Immers: de Paastijd nadert zijn afsluiting. De veertig dagen van de verschijning en de nabijheid van de opgestane Heer zijn bijna voltooid. De uit de dood Verrezene raakt met Hemelvaart uit het zicht. Hij verdwijnt achter een wolk. Hij trekt zich terug in het verborgene. 'Nog een korte tijd' zegt Jezus in het voorgelezen evangelie, 'en ge ziet mij niet meer'. (vs. 16)
Hemelvaart is een in de kerk een nogal ondergewaardeerd feest. Het is evenwel rijk aan betekenis en zeggingskracht, als we het goed verstaan.
Maar de Hemelvaart van Christus heeft in ieder geval ook iets van een afscheid; een afscheid van de Heer van de zijnen. Het lijkt op een verlating, op een alléén achtergelaten worden. Heel treffend heet de zondag ná Hemelvaart ook wel Zondag 'Het Weeskind'. Schijnbaar worden we als wezen achtergelaten. Verstoken van vaderlijke geleide en van moederlijke geborgenheid. De Jezus-gelovigen worden teruggezet op zichzelf. Ze lijken het allemaal zelf uit te moeten zoeken.
Dat herkennen we wel. Het lijkt ook onze situatie. Want we tasten maar al te vaak in het duister omtrent onze bestemming. We ontwaren geen weg om te gaan. We hebben geen duidelijke opdracht in ons leven, geen taak die ons leven vult en zinvol maakt. We zijn onzeker over onze toekomst en over de bedoeling van ons leven. Dat hachelijke moment uit de heilsgeschiedenis rond de Hemelvaart van Jezus heeft zich breed gemaakt in onze tijd. Zo is het nu eenmaal, denken en zeggen veel van onze tijdgenoten. Een mens moet het allemaal zelf uitzoeken. Nergens staat geschreven wie we zijn of wie we zijn moeten.
Toch is dat niet helemaal zo, want precies in deze hachelijke fase van de heilige geschiedenis klinkt ook die sterke, moedgevende tekst uit het Johannes-evangelie: 'Niet als wezen zal ik u achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet mij niet meer, maar gij ziet mij, want ik leef en gij zult leven.' (Joh. 14: 18, 19). Hier staat dat de wereld hem niet meer ziet en in de tekst die we lazen staat dat gij hem niet meer ziet. Een klein verschil, maar het verschil tussen ons en de wereld, tussen gelovigen en ongelovigen is ook niet altijd zo groot.
'Ik kom tot u'. Dat zegt Jezus óok in die lange afscheidsgesprekken met zijn leerlingen in het evangelie van Johannes. Ik kom tot u in de kracht van de heilige Geest en het gebed waartoe we op deze zondag opgeroepen worden is allereerst een gebed om het komen van de Heilige Geest. Een gebed om de bemoediging, de troost, de kracht, de geleide van de Heilige Geest. 'Kom, o Schepper Heilige Geest!'. In deze spanne tijds waarin het ons niet wordt toegestaan de paastijd, de omgang met de Opgestane eindeloos voort te zetten, waarin straks onze zending in de wereld begint- als schapen temidden van wolven- zuchten en roepen we om de Geest, die ons leven doet en leven schenkt. Want zonder Gods bezielende geest, de kracht uit de hoge die ons staande en gaande houdt, zijn we eenvoudig nergens, zijn we er, inderdaad, als wezen aan toe in deze wereld: verlaten, gedesoriënteerd, teruggeworpen op ons eenzame zelf. Daarom: rogate, blijf vragen, blijf bidden!

Maar ook onder mensen die de kerk en het geloof van harte zijn toegedaan is het gebed niet zelden enigszins problematisch. 'Ik kan niet bidden', zeggen ze soms, of 'ik zie er de zin niet zo van in en zou het wel echt helpen?' We zullen niet al te erg moeten schrikken van deze geestelijke stand van zaken, ook onder mensen van de kerk. Ons onvermogen om te bidden is in de schrift voorzien én er is mee gerekend. We zijn tot bidden onbekwaam, net zoals we onbekwaam zijn 'tot enig goed', zoals de catechismus dat zegt. Maar noch het één, noch het ander is evenwel een laatste waarheid. In Rom. 8 zegt Paulus: 'Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort', maar (vervolgt hij dan) 'de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen'. De Geest waarom we roepen komt ons tegemoet, neemt ons a.h.w. bij de hand. Hij brengt de woorden mee (uit de Schrift, uit de liederenschat van de Kerk) en hij komt onze zwakheid, ons onvermogen en ons ongeloof te hulp. De Geest maakt het gebed in ons los.
We zullen ons dus niet moeten blindstaren op ons onvermogen tot gebed. De Geest is de eerste bidder én hij schakelt ons in. Dat laatste is typerend voor al het werk van de Heilige Geest. Mensen worden actief betrokken in wat God doet. God doet zijn werk met zondaren, met vanuit zichzelf ongeschikte en onwillige mensen. Hij schuift die niet terzijde, maar schakelt ze in. Bidden doen we onder de regie en in de kracht, de stuwkracht van de Geest. Er wordt al gebeden vóor dat we zelf tot bidden komen. Wij voegen ons met onze noden en begeerten in de gebeden, die tot ons komen vanuit de schrift en de kerk, vanuit de psalmen en de gezangen. Daarin spreekt de Geest en die geeft richting aan onze verlangens en stem aan onze verzuchtingen, aan alles wat er leeft in ons hart, aan wat er ligt aan verdriet en teleurstelling op de bodem van onze ziel. We brengen onze bittere vragen en klachten voor Gods aangezicht in het gebed. Nee, daar worden die vragen niet zonder meer beantwoord of opgelost, maar daar vinden ze wel hun gréns. We gaan er niet in ten onder. We verdrinken niet in onze wanhoop en in onze ellende. Maar we worden gehoord en gekend in onze noden en zorgen. God weet ervan. De Geest weet ervan, want hij wéét, in de vleesgewordene, wat het is om mens te zijn op aarde. Hij weet er van mee te spreken én hij snelt ons te hulp. Hij pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Blijkbaar heeft de Geest er ook moeite mee, maar hij laat het niet afweten. Hij draagt en sleept ons er doorheen. In ons bidden zijn we nooit alleen, nooit eenzamen, want de Geest bidt met ons, in ons, voor ons. We zijn ook nooit alleen maar toeschouwers om te zien of het bidden wel effect heeft, of God ons wel hoort. Die twijfel moet de van terzijde toekijkende mens wel overvallen. Want de ervaring lijkt hem te leren dat het gebed in veel, in de meeste gevallen niet verhoord wordt. Daarom ziet hij er maar van af: bidden is zinloos (zegt hij), op zijn best een gesprek van de mens met zichzelf.

Maar daarmee verlaten we de bijbelse weg. Want in de gemeente, als de plaats waar Gods Woord gehoord wordt, spreekt het eigenlijk volmaakt vanzelf dat er niet alleen gebeden wordt, maar óok dat onze gebeden gehóórd worden. Want dat Christus is opgestaan uit de doden wil toch in wezen niets anders zeggen dat God heeft gehoord en gesproken, dat Hij oor en oog heeft voor zijn Zoon en daarin voor zijn schepping, zijn mensenvolk op aarde. Hij heeft ons niet laten liggen langs de kant van de weg, maar heeft ons opgericht uit het stof van de dood. Dat is toch Pasen: God ziet ons, God hoort ons, in de Zoon van zijn liefde, op diens weg. Dat is het eerste van alle bidden in christelijke zin. God heeft ons gehoord en we bidden dan ook ons gebeden in de zekerheid van de verhoring. Niet maar op goed geluk of in het wilde weg of de trant van 'baat het niet, dan schaadt het niet'. 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, als ge de vader om iets bidt, zal hij het u geven in mijn naam. (23) en even verder: 'Bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.' Je staat er versteld van met hoeveel zekerheid er in de bijbel gesproken over de verhoring van ons gebed. 'Ik, de Here, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten', staat er in de profetie van Jesaja, die we lazen. (Jes. 41: 17)
Zeker, God verhoort ons bidden op zijn wijze en niet altijd op de manier waarop wij dat misschien zouden wensen. Hij bepaalt om zo te zeggen zelf hoe hij onze verlangens opneemt in zijn beleid. De verhoring van ons gebeden ligt niet in het onmiddellijk verlengde van onze begeerten en wensen, dàt niet, maar er kan in de gemeente van de opgestane Heer geen zweem van twijfel over bestaan dat God een horende en sprekende God is. Dat betoont hij zich in de Messias Jezus. In hem zoekt hij ons op en richt hij ons op. In hem brengt hij ons thuis en brengt hij het leven terecht.
Daarom moeten we ook niet bidden – om zo te zeggen - 'achter de rug van Jezus Messias om'. Maar altijd in zijn naam, altijd 'door Jezus Christus onze Heer'. Want vanuit een willekeurige plaats in de wereld hebben we inderdaad geen toegang tot God. Daarin ligt het betrekkelijk gelijk van de mens die meent dat het bidden afketst op een gesloten hemel, een zwijgend heelal.
God hoort, maar Hij wil ook zelf gehoord worden. Hij wil niet met ons te maken hebben - al klinkt dat misschien hard - buiten zijn Zoon; alleen als we ons op de weg van Christus begeven en bevinden, (als we gedoopt worden in zijn doop). Hij is niet zomaar ons aller vader, maar hij is onze vader in Christus Jezus, in zijn Zoon die ons tot een broeder is geworden.

De weg van Christus. Wie bevinden zich daarop? Allen die in hem geloven, zich aan hem vastklampen, in hem hun heiland en verlosser hebben gevonden. Betekent dat alleen de geregistreerde gelovigen? Zij die bij de kerk behoren krachtens doop en belijdenis? Nu, dat maken wij niet uit; niemand maakt uit, wie zich op de weg van Christus bevindt. Want hij ontfermt zich over wie hij zich wil ontfermen. En geen heiden, geen zondaar is bij voorbaat van zijn genade uitgesloten.
Wij mogen alleen horen en weten dat hij tot allen is uitgegaan, geen mens, geen zondaar uitgesloten. En als de vader hem opricht uit het graf, opwekt uit het stof van de dood, dan worden in hem allen opgericht, allen over wie hij zich ontfermd heeft. Zijn Geest is uitgestort over alle vlees en geeft adem en levensvreugde aan heel de schepping. We mogen weten dat God de verzuchtingen, het geschrei en het kermen van zijn schepselen in Christus heeft gehoord en dat hij die zich heeft aangetrokken. Dat hij in Christus is afgedaald in de diepte van hun ellende en daar een keer brengt in hun lot. Daarom is er hoop voor de hopelozen en nadert er bevrijding voor wie gevangen zijn in hun nood en schuld.
Christus is Koning. Dat vieren we op Hemelvaartsdag. De menslievende is de koning van het heelal. Maar dat is nog verborgen achter de wolk die hem aan het oog onttrekt. Die verborgenheid van het Koninkrijk, het koningscháp is ook altijd weer een beproeving voor het geloof. Nu, die beproeving doorstaan we in de kracht van de Geest, die getuigt dat Jezus, de mensenvriend, de menslievende God, overwinnaar is.
Soms blijkt daar ook iets van in ons leven en in de wereld. Maar niet altijd en zeker niet op een vanzelfsprekende wijze. Dan moeten we het doen met het woord dat Jezus spreekt aan het eind van dat stuk. waar hij zegt: 'In de wereld lijdt ge verdrukking, zijt ge in benauwdheid, maar houdt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.' Aan hem is de toekomst en wij en onze erbarmelijke wereld hebben toekomst in hem.

AMEN
(c) Rens Kopmels