Over schepping

2. Schepping uit het niets

Schepselen zijn als schepselen geen producten van de natuur of van de geschiedenis. Dat zou eerder een heidense dan een bijbelse gedachte zijn. Het betekent dat er geen oorzakelijkheid ten grondslag ligt aan hun bestaan. Het moest niet noodzakelijk zo zijn. Zij zouden er evengoed niet kunnen zijn. Wijsgerig spreken we hier van contingentie, van niet te achterhalen toeval. De werkelijkheid van het schepsel berust niet op een voorafgaande mogelijkheid.. Het schepsel is er, of het nu mogelijk is of niet. Het is – per definitie – een wonder.
De dogmatische notie is hier ‘ creatio ex nihilo’ (schepping uit het niets). Het schepsel staat als het ware met de rug tegen het niets. Het is op niets gebaseerd en wordt door niets in de rug gedekt. Daarmee is de existentie van het schepsel hachelijk en huiveringwekkend. Dat is een besef en bevinding die de mens als schepsel niet vreemd zijn. Het is er wel, maar wie of wat zal het schepsel zijn? Het zoekt min of meer vertwijfeld naar zijn wezen en bestemming, zoals het geschapen licht uit Genesis 1:3 vóór het in vs. 5 geroepen wordt ‘dag’ te zijn (in de beroemde exegese van Frans Breukelman). Het kan er op lijken dat de existentie voorafgaat aan de essentie, zoals in het existentialisme van Sartre. Het schepsel is er, maar waartoe? Dat is niet onmiddellijk duidelijk en nog geen uitgemaakte zaak. Natuur of maatschappij schrijven niet dwingend voor wie of wat de mens zal zijn. Het schepsel is immers niet hun creatie. Dat zeiden we al.

Opmerkelijk overigens hoeveel affiniteit er – bij alle verschillen – leeft in het existentialisme van Sartre en andere Fransen met het scheppingsgeloof. Als het over het zijn gaat valt ook daar het woord ‘contingence’. Van het ‘être-en-soi’ kan, zegt Sartre, ‘absoluut niet gezegd worden dat het van iets is afgeleid, niet van een ander zijn, noch van iets mogelijks, noch van een noodzakelijke wet’ Dan volgt de fameuze zin, tevens het eerste hoogtepunt van ‘L’être et le néant’: ‘Incréé, sans raison d’être, sans rapport aucune avec un autre être, l’être-en-soi est de trop pour l’éternité’. (p.38) Het zijn is er, stomweg, sprakeloos. En het is ‘te véél voor de eeuwigheid’! In die laatste uitdrukking horen we meer de literator Sartre dan de filosoof. Al die tonnen vlees en vet, die zich door de straten en door de supermarkt bewegen, om maar te zwijgen van al die miljarden tonnen ‘être-en-soi’, waarvan het heelal vol is, meer dan vol, kunnen ons met afkeer en walg (nausée) vervullen.
Het schepsel mens is ongegrond, ongerechtvaardigd, eenzaam. Het ontbeert zin en identiteit. Die zoekt het in een hem omvattend en bergend zijn. Wat is zijn plaats in de wereld en zijn functie in de samenleving? Kunnen stam of imperium, volk of vaderland, arbeidsprestaties of een maatschappelijk positie hem aanzien en identiteit verlenen? Het bestaan put zich uit in steeds weer mislukkende zelfrechtvaardiging. De lust in lijf en zinnen, de kracht van het intellect, de roem van prestaties, in dit alles vindt de mens geen vaste identiteit, geen rust, niet zijn uiteindelijke bestemming. Al het wereldse in zijn mondaniteit en historiciteit kan hem dat niet verlenen.

De weg die dan alle godsdienst wijst is die naar God en het goddelijke. De mens is ‘ad Deum’ geschapen naar het beroemde woord van Augustinus. Daar vindt hij zijn rust en bestemming. Niet in de aardse dingen, niet in de tijdelijkheid van het bestaan, maar in de eeuwigheid. Het is evenwel zeer de vraag of dit de weg van de bijbel is en of ook hier het neoplatonisme Augustinus niet ernstig parten heeft gespeeld. Het schepsel is ‘ex nihilo’, niet ‘ex Deo’. De Schepper heeft wel redenen, maar geen elementen uit zichzelf genomen om hemel en aarde in het aanzijn te roepen. De mens is nooit bij God geweest en het is dan ook de vraag of we als schepselen ons tot God moeten verheffen, laat staan tot Hem moeten terugkeren. De creatuurlijke existentie is toch geen val uit de volheid van het zijn., zodat menswording en (zonde)val zouden samenvallen. Dat zou wel een heel dubieuze uitleg van Genesis 3 zijn! Het schepselmatige bestaan is niet inferieur. De zondeval is eerder een ongeval op de weg naar de bestemming van het schepsel. Het raakt de weg kwijt. Het mist zijn bestemming. Maar die bestemming is zeker niet de opwaartse weg tot God of de eeuwigheid.
De scheppingsverhalen uit Genesis 2 vermelden noch suggereren dat. De mens is in de hof geplaatst om als akkerman de akker te dienen en te bewaren en om zijn vrouw aan te hangen en lief te hebben. Niet om tot God op te stijgen, maar om te leven voor zijn aangezicht en te wandelen in zijn geboden. De storing is juist het ‘als God willen zijn’ en daarmee de verloochening van zijn schepselmatigheid. Die moet ‘goed’ heten; goed, omdat de Schepper goed is en de schepping door Hem gewild en geponeerd is. Ze rust in zijn welbehagen, ‘son bon plaisir’ (Calvijn). Zo is er geen andere noodzakelijkheid van de schepping dan het vrije besluit Gods. Daarmee ook geen fatum of wetmatigheid die het bestaan en de geschiedenis zouden bepalen en beheersen. Alleen de goedheid Gods is de grond van de schepping, waarbij God ongelijk is aan het noodlot, in zoverre Hij vanaf het begin alleen het goede wil voor zijn schepselen en zijn scheppingsbesluit ook niet formeel en abstract voorafgaat gaat aan zijn genadebesluit. De goedheid van de Schepper is de goedheid van zijn genade, omdat God geen àndere goedheid en geen àndere glorie kent dan die van zijn genade en liefde. In de dood van de zondaar vindt Hij geen behagen
.
Blijft staan dat de schepping ‘uit het niets’ is, maar het is een halve waarheid als we er niet in één adem aan zouden toevoegen dat ze ook ‘per Verbum Dei’ is, door het Woord van God. Niettemin is dat wezenlijk anders dan ontologische identiteit of zelfs maar zijnsverwantschap tussen God en zijn schepsel. Het schepsel is een ‘être séparé’, ja zelfs een ‘être athéé’, met Levinas gesproken. Er is geen participatie (‘methexis’) aan het zijn van God of aan de eeuwige ideeën zoals in het platonisme, maar de betrekking van God en mens is die van de zijnsongelijkheid (en niet die van de zijnsovereenkomst) en de positie van het schepsel is als zodanig ‘atheïstisch’ (en niet religieus!), van God los, van God gescheiden. Het gaat tussen God en mens toe op de wijze van Woord en (vrij) antwoord, roepend over een scheiding heen, van de ene oever naar de andere. Men kan ook zeggen: op de wijze van het gesprek, maar dan wel een moeizaam en veelszins gestoord en ontbrekend gesprek. God en mens zijn gescheiden door het anders-zijn. De betrekking tussen elkaar ontisch vreemden is die van de aanspraak en de afspraak. We kunnen ook zeggen van de liefde als agape. Want deze liefde, die ‘uit God’ is, berust niet op ziels- of geestverwantschap en is geen latente sympathie tussen de zijnden. Dat laatste moge gelden voor de liefde als filia of als eros,maar de agape is meer en anders dan ‘liefde voor wie ook ons liefhebben’. (vgl.Mat.5:46). Deze liefde is verantwoordelijkheid voor de ons ongelijke. De naaste, de vreemdeling, ja, de vijand.
De relatie van God en mens is aldus een verbondsrelatie. Dáárin krijgt het mens-zijn richting en zin en vindt het zijn identiteit en bestemming. Doordat de mens geroepen wordt, een gebod verneemt en hem een weg wordt gewezen. Daarin ontvangt hij zijn naam! Jij, en niemand anders. De zo zinloze uniciteit van het ik is bedoeld in de roep die mij bereikt en in het gelaat dat mij aanziet. Dat ik er ben en dat ik ik ben, dit grondeloze en duizelingwekkende ‘naakte’ feit, wordt bekleed met zin en verantwoordelijkheid vanuit de roeping van mijn naam. Er wordt op ons gewacht en op ons gerekend. Door de vragende en roepende God en vanuit de nood van de ganse creatuur (vgl. Rom.8:19).
Geschapen zijn uit het niets zal dan betekenen dat het grondeloze en ongerechtvaardigde bestaan in het horen en spreken, in vrije verantwoordelijkheid, in verbondsrelaties zin en vervulling vindt. Met het niets, als het ‘Nichtige’, achter ons, aan de fataliteiten van natuur en geschiedenis niet overgeleverd. Het vrije Woord dat vlees wordt bevrijdt het gebeuren in natuur en geschiedenis van zijn noodlottigheid en noodzakelijkheid. Daarmee is de mens vrij gemaakt tot een leven in de liefde en tot moed voor de wereld. Het trouwverbond draagt het bestaan en alle dingen.
In het spreken Gods wordt de mens in het aanzijn geroepen en wordt zijn bestaan vervoegd en verbogen. Deze mens is de ‘vrucht van zijn lippen’ (Rosenstock), ja, Gods ‘poëem’, Gods sprekende gedicht en zo gaan er ook sprake en rede van hem uit in de sprakeloosheid van het zijn en in de gewelddadige en onredelijke betrekkingen tussen de geschapen wezens. Taal geijkt op het Woord is reddende en verzoenende taal; ze zoekt uitwegen uit de impasses en trekt de vastgelopen verhoudingen weer vlot. Nee, God ‘bestaat’ niet, maar Hij oordeelt en spréékt! Daarin is licht en leven.
Scheppingsdenken is aldus ‘Sprachdenken’. Het zal dan ook de taal in hoge ere houden. Oude en nieuwe taal. Want de taal is ouder en wijzer dan wie haar spreken! (Rosenstock). Het scheppende spreken van God in Christus, waarvan de mens de sprekende vrucht is, zelf ‘poëet van het Woord’(Jac 1:22), en dan ook ‘Die Sprache des Menschengeslechts’. De nieuwe articulaties van het zijn door het spreken en de afspraken, ‘post Christum natum’. De taal als aanspraak, uitspraak, voorspraak, als eed van trouw, als gebod en belofte, als verhaalde geschiedenis en als een verlangend reiken naar ultieme toekomst.
Het op niets gegronde bestaan van het schepsel leeft van het Woord tot hem gesproken als een kritische hulp en geleide ‘hem tegenover’(Gen. 2:18). Daarin wordt het gerechtvaardigd en ontvangt zijn bestaan zin, die het zichzelf niet kan geven. Want het ‘centrum van zingeving’, dat de mens volgens de meeste humanisten, existentialisten en idealisten zou zijn, is ernstig gestagneerd en gefrustreerd. Het is immuun voor een Woord van boven, van buiten, maar vanuit het aangesproken worden, vanuit de Geest die over hem vaardig wordt, vanuit de aandoening van de liefde komt de immobiele mens in beweging. De liefde ontsteekt de liefde in hem. Het Woord dat hem aanspreekt doet hem spreken en de kracht van de Geest richt hem op uit zijn machteloosheid en traagheid. In al die woorden van beneden zijn we niet meer dan een koor van kwekkende kikkers!

Daarbij is essentieel dat in het scheppingsdenken de mens niet alleen maar een factor en factum is het zijnsproces van natuur, maatschappij of geschiedenis. Hij is in al deze samenhangen zelf bedoeld en beoogd als deze unieke mens met een onverwisselbare naam. Een naam met een eigen gewicht, een eigen eer, gekend en geëerbiedigd als deze mens en geen andere.
Het scheppingswoord houdt de belofte in van een land waar elkeen zijn naam in vrede zal dragen.

Geraadpleegde literatuur
E. J. Beker/J.M. Hasselaar, Wegen en kruispunten in de dogmatiek (2)
J. P. Sartre, L’être et le néant.
Eugen Rosenstock-Huessy, De vrucht der lippen. Waarom vier evangeliën?
(c) Rens Kopmels