Over schepping

4. Schepping en zin

Wat is het doel of de bestemming van het menselijk leven? Het lijkt een catechismusvraag en dat is het ook. Die van Genève, van de hand van Calvijn, begint met deze vraag. Hoewel het antwoord ons misschien vertrouwd in de oren klinkt, bevat het toch een verrassend element. Het luidt: We zijn geschapen en in de wereld gezet ,opdat God in ons verheerlijkt worde, (‘ut Deus in nobis glorificetur’). Het verrassende is dat ‘in nobis’, dat ‘in ons’. Er staat hier niet: door ons, ofschoon ook de uitgesproken lofzegging daarmee niet uitgesloten is. Maar in ons aardse bestaan, in ons menselijk leven en samenleven worde God verheerlijkt. Dit is onopgeefbaar gereformeerd erfgoed! Spiegel van Gods glorie te zijn is de bestemming (finis) van de mens, zoals de wereld het theater van Gods heerlijkheid zal zijn – en daarom ook al is. Want Gods toekomst, die als de zijne ook de onze is, werpt haar licht al vooruit in het heden en ligt als weerglans over het verleden.
Beeld en gelijkenis kunnen we ook wel zeggen, zij het niet ‘slechts’ beeld en gelijkenis, maar ‘mehr als Gleichnis, die Sache selbst’ (Rosenzweig). Gods eer en heerlijkheid wil niet afgezien van zijn schepping gekend en geprezen worden, maar met en in zijn schepping en zijn schepselen. God loven en liefhebben in de daadwerkelijkheid van het leven en samenleven, dat is de zin van het mensenleven, waarbij dat moderne woord ‘zin’ betrekking heeft en in overeenstemming is met het doel of de bestemming van het bestaan als mens. Zin heeft wat dat doel dient en het doel is God verheerlijken, Hem loven en liefhebben.

Het zal evenwel de hedendaagse mens nauwelijks overtuigen. Heeft het leven dan geen zin, sputtert hij tegen, in zichzelf en zijn we er uitsluitend en uiteindelijk ten behoeve van God en zijn eer? De dienst van God of de godsdienst zou dan de zin van het bestaan zijn. Het laat zich in een christelijke context weliswaar horen, maar we worden er niet koud of warm van. We willen er niet aan, althans niet van ganser harte, niet gaarne.
Waarom eigenlijk niet? Ten eerste omdat het bestaan van God voor de moderne mens minstens twijfelachtig is, maar ten tweede, omdat de mens in deze zelfoverschrijding naar God of het goddelijke, naar een bezield, omvattend verband, naar een ideaal of idool zichzelf zou verliezen zonder zichzelf te vinden. Deze onderschikking aan een totaliteit, een grootse, bezielende samenhang is nog steeds wel verleidelijk, maar is ook in zijn verleidelijkheid en bedrieglijkheid doorzien en doorleefd. Religie is zelfmisleiding, illusie, onmachtig protest tegen het onafwendbare, verbloeming van de harde realiteit of vergeefse verheffing uit de banaliteit van het bestaan. Al in de 19-de eeuw stijgen deze geluiden vanuit de west-europese cultuur op.

Maar de zaak verdient specificatie en (mogelijk) grondige correctie. We zullen kritisch moeten vragen: wat is dat God dienen, liefhebben en loven, Hem daarin verheerlijken en daarin de zin van het leven vinden? De elementaire vraag: hoe doe je dat? Nu, het bijbelse antwoord op deze vraag mag ons verrassen en wellicht enigszins ontnuchteren: De Here God liefhebben is zijn geboden gehoorzamen en wandelen in zijn wegen. ‘Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden’. In deze zinsnede uit de dekaloog en op vele andere plaatsen, vooral in het boek Deuteronomium, worden deze twee dingen in één adem genoemd. Maar ook God liefhebben dóór zijn geboden te onderhouden en in zijn wegen te wandelen. Het een niet zonder het ander; het een door het ander. En daarbij verwijzen vrijwel alle geboden naar de naaste en lopen al Gods wegen over de aarde en door de tijd. Het is in het OT glashelder en in het NT is het niet anders. ‘Wanneer gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden bewaren’, zegt Jezus in Joh. 14:15. En het gebod in alle geboden is ‘dat ge elkaar liefhebt, zoals ik u heb liefgehad’. (Joh. 15:12). De liefde tot God of tot Christus sluit de liefde tot de broeder en de naaste onmiddellijk in. Zeker, zonder daarin geheel op te gaan, want de liefde tot God is ook op een verhoogde toon loven, danken en zegenen. ‘Zegen de Heer, mijn ziel, en al wat in mij is zijn heilige Naam’. (Ps. 103:1), maar de harde kern van de lof van God is het horen en gehoorzamen van zijn geboden. De liefde tot de naaste. ‘Es gibt kein ernstliches und ernstzunehmendes Lob Gottes ausser und neben dem uns hier gebotenen: “Du sollst deinen Nächsten lieben wie dich selbst”(Karl Barth, KD I/2, pag.442) Onder de titel ‘Das Lob Gottes’ behandelt Barth dan ook het ‘tweede gebod’ aan het eerste gelijk. Ook dat mag aanvankelijk bevreemden.
Want welbeschouwd moet dit niet minder dan een revolutie in de godsdienst(en) heten: de God van Israël wil zijn volk en de mens niet als zijn onderdanige dienaar, maar als vrije partner in zijn naar mens en wereld uitgaande liefde. God behoeft onze dienst en onze liefde niet om in vrijheid en heerlijkheid God te zijn, maar Hij betrekt ons in zijn mensendienst. Zoals Hij ons liefheeft zullen wij elkaar en de naaste liefhebben. Dáárin wordt zijn Naam grootgemaakt. Als het object van Gods liefde wordt de mens vervolgens (of onmiddellijk) ook het subject van de liefde Gods. Godsdienst is aldus mensendienst. Zo gaat het in de bijbel van religie naar humaniteit. De door God gevonden en geliefde mens verliest zich in de toewijding aan het mensenleven. In die trouw en toewijding krijgt zijn leven zin en betekenis. Hij betekent iets voor de ander en de ander betekent iets voor hem. Het leven in de overgave en de toewijding van de liefde is niet zinloos, niet ijdel, niet vergeefs, maar uitermate vruchtbaar. Het opent wegen naar de toekomst. Het vindt weerklank en vervulling, De lof Gods klinkt eruit op.

Te vrezen valt echter dat ook deze ingrijpende correctie van ons godsdienstbegrip nog steeds maar weinig overtuigt als het om de zin van ons bestaan gaat. Die zin ontbreekt ons pijnlijk, primair in de ervaring, maar ook als inzicht. We weten eenvoudig niet wat de zin is van de dingen en al evenmin (of nog minder) van ons eigen bestaan. We moeten zonder overdrijving van een ‘zincrisis’ spreken. Daarbij spelen cultuur-historische en maatschappelijke factoren ongetwijfeld een rol. De atomisering van het bestaan. Geen bezielend verband wijst de mens zijn plaats en zijn weg. Hij is in hoge mate op zichzelf gesteld en op zichzelf aangewezen. De maatschappij heeft hem niet nodig of hooguit incidenteel als arbeidskracht, als tijdelijk functionaris. Snel is hij overbodig, te veel. Werk is geen beroep meer als een roeping, die zijn leven vult en vervult.
Waartoe is hij op aarde? Die vraag gesteld of (meestal) niet gesteld vindt geen antwoord. Maar er is niettemin een massaal en sprakeloos lijden aan de zinvraag. We beluisteren het in de literaire kunst, we zien het in films en overal om ons heen. Toch wordt de zinvraag maar zelden expliciet gesteld. Misschien niet omdat juist deze vraag naar de zin als totaal onmogelijk en volstrekt zinloos ervaren wordt! Niet aan beginnen. ‘Schater en sterf’, zei de dichter Gerrit Komrij. Geniet van het leven tot de dood erop volgt. Maar het laatste is minder ongewis dan het eerste.

Genoeg hierover. We wilden iets zeggen over schepping en zin. Want het zou heel goed kunnen dat met die notie schepping de zinvraag acuut wordt. We zijn er immers ‘zo maar’, ons bestaan is uit het niets (‘ex nihilo’) en zweeft boven het niets. We zijn als schepselen niet hecht verankerd in de grond van het zijn, maar we komen tot leven op de ons ingeblazen adem van God. We zijn geschapen en worden (als werkwoorden) vervoegd en verbogen in en door het tot ons en van ons uitgaande Spreken (Gods). Veel hachelijker en onvaster is het bestaan als schepsel dan we lange tijd, aanleunend tegen de antieke zijnsmetafysica, vermoedden en beseften. Het wil immers zeggen dat we van God als de zijnsgrond ontisch gescheiden zijn, niet deelhebben aan het goddelijke, eeuwige, absolute, dat ons toevallige bestaan fundeert en transcendeert. Dat laatste ware heidens gedacht: ingebed is ons individuele bestaan in een komische orde en samenhang of deel uitmakend van een (wereld)historisch verhaal. Het heeft daarin zijn plaats en zijn tijd. ‘De mens is voor een tijd een plaats van God’ (Gerrit Achterberg). Troostrijk? Het lukt ons niet meer om heidenen te zijn. We zouden het misschien wel willen.
Is dan het ‘nihilisme’ een noodzakelijke consequentie? Ons bestaan is zonder grond en daarmee zonder zin en doel. Het zijn zelf is zonder grond of anders gezegd afgrondelijk. De lege ruimte blaast ons toe (Nietzsche), want de zijnsgrond, die ook wel ‘God’ heet, is weggevallen. God was immers de (vaste) grond van ons bestaan, ‘the ground of being’, ‘der Seinsgrund’. Veel theologie en filosofie sprak en dacht zo over God. Als het ‘summum esse’, het diepste of het hoogste zijn. De wereld is in beginsel transparant tot op God, want zij is een emanatie, een uitstraling van God. Tussen God en wereld, God en mens is er zijnsverwantschap, gelijkheid bij alle verschil in graad en status. Het schepsel heeft deel aan Gods onvergankelijkheid. Het weet zich geborgen in de eeuwigheid (of in ‘een stuk eeuwigheid’). Daarin heeft en vindt het zijn identiteit en bestemming.

We hebben geleerd de Schriften inzake schepping en schepselmatigheid anders te lezen en te verstaan. Het schepsel is niet uit God en het moet niet naar hem toe of naar hem terug. Het is uit het niets. ‘Staub vom Acker’, is de mens en hij valt als stof uiteen als God zijn levenwekkende adem wegneemt. Hij leeft in het horen en gehoorzamen van het hem roepende en wegwijzende Woord. Zijn bestaan heeft geen bestand in zichzelf en elke ‘conatus essendi’, elke poging zich in het zijn te handhaven en door te zetten staat onder het voorteken van de mislukking. Het refrein van het boek Prediker ‘Alles is ijdelheid’ is gemeengoed in de hele Schrift, al is het dan niet het enige en laatste woord. Maar ziende naar de wereld en naar het mensenleven kan Prediker niet tot een andere conclusie komen. Er is geen orde of zin in de kosmos of in het menselijk bestaan te ontdekken, maar alleen dwaasheden en ongerijmdheden. Het leven loopt vast in zijn eigen zinloosheden. Het boekje Prediker heeft brede weerklank en herkenning gevonden in onze eigen tijd.
Is er dan geen enkele uitweg uit de zinloosheid en doelloosheid? Geen opstanding ten leven naar een toekomst van vrede en vreugde? Prediker is daarin ongetwijfeld uiterst terughoudend, maar het geschriftje bevat niettemin verholen ‘messiaanse gebaren’ (Miskotte). ‘Laten uw klederen te allen tijde wit zijn en olie ontbreke niet op uw hoofd’, (Pred. 9:8). Een onverschillige nihilist is Prediker zeker niet. De dingen zijn wel ijdel, leeg en vluchtig, maar niet waardeloos. Het Hebreeuwse ‘hèbèl’ – de fijnzinnige exegeet en dichter Thomas Naastepad heeft er op gewezen – is ook de naam van Abel, de zoon van Adam, de zoon des mensen, ja, van onze Heer Jezus Christus. Alle dingen, alle ijdele, lege dingen dragen zijn naam!
Dat inzicht kan ons behoeden voor onverschilligheid en cynisme. God heeft in zijn lieve Zoon dit ijdele leven in zijn vluchtigheid en stoffelijkheid zeer liefgehad, het gedeeld en gedragen in al zijn bitterheid en onbegrijpelijkheid ten einde toe. En zijn passie is niet vergeefs, niet ijdel geweest. Dat maakt alles anders en nieuw. Het leven als schepsel in de vluchtigheid van de tijd en in de kwetsbaarheid van het vlees is het door God bedoelde, geliefde en geredde leven . Goedgemaakt en gerechtvaardigd in de Zone Gods. Kostbaar en rijk aan zin.
Aan de goede zin en de veelbelovende toekomst van het ons toegevallen en ongegronde leven kunnen en mogen we in dit licht dan ook niet wanhopen, althans niet met een ultieme wanhoop. Wandelend en blijvend in dit over ons en onze wereld opgegane licht en op deze ons gewezen weg zijn onze acties en passies niet ijdel en zullen ervaringen van zin, ja, van eminente zinvolheid ons niet onthouden worden.
De schepping is weldaad en werkelijkheid; zij is ook gerechtvaardigd. (Barth); en daarmee zinvol.
(c) Rens Kopmels