ICHTHUS

Een essay van Rosenstock-Huessy

In een lange inleiding (een kwart van het geheel) wil Rosenstock-Huessy een benadering en behandeling van de verhouding Jezus (van N.)en Jezus Christus op een begripsmatige (of dogmatische) wijze vermijden, waarbij er als het ware begrippen 'uit het magazijn' worden gehaald en 'in een nieuw mozaïek' worden geplaatst. Hij kiest en zoekt zijn weg in een taal die werkelijkheid ontdekt en tevoorschijn roept. Een 'sprekend ontdekken' of een 'ontdekkend spreken'. (Otto Kroesen). De taal immers gaat aan het denken en het begrijpen vooraf (en kost daarom de denkers vaak zo veel moeite!)


Ten laatste sinds Albert Schweitzer ('Geschichte der Leben Jesu Forschung' - 1906) is de tegenstelling tussen enerzijds Jezus en anderzijds Christus scherp aan het licht gekomen. Een tegenstelling die (mede)bepalend was (en is) voor die tussen liberale en rechtzinnige theologie en dito kerkelijke richtingen en partijen. Jesulogie en Christologie staan op gespannen voet met elkaar en verdragen elkaar evenmin als wetenschap en geloof, waarmee deze tegenstelling ongeveer parallel loopt. Het betreft hier een steriele, bewegingsloze antithese, waar overigens vrijwel niemand koud of warm van wordt. Al langer dan anderhalve eeuw beheerst deze tegenstelling als een min of meer voldongen feit het theologisch denken en het kerkelijk leven.


Schweitzer kwam tot de conclusie dat de Jezus uit het NT geen moraal- of wijsheidsleraar was en al evenmin een revolutionair of 'de eerste socialist', maar eerder een wereldvreemde 'apocalyptische dweper' die het einde van deze wereld verwachtte, verkondigde en dat wilde bewerkstelligen. Hij greep in de spaken van het wereldrad om dat een beslissende wendding te geven, maar hij bleef er zelf aanhangen en…de wereld draaide door…


Schweitzer ontdekte dus de sterk eschatologische strekking van Jezus' prediking, maar moest ook het illusoire ervan constateren. Twintig eeuwen van uitgebleven 'parousie' bevestigen die illusie. Sschweitzer zag Jezus eigenlijk als een overigens hoogst respectabele mislukkeling en nam afscheid van de theologie als zijn levensroeping. Het weerhield hem evenwel niet Jezus na te volgen in zijn dienstbaarheid aan zieken en zwakken, maar hij zweeg over Christus en diens werkzaamheid. Men zou kunnen zeggen dat hij de leer van Jezus leefde, maar dat hij de werkzaamheid en de betekenis van Jezus als de Christus niet leerde. Dit laatste dan geheel anders als de apostel Paulus! Want deze (aldus Rosenstock) 'leefde de leer van Jezus en leerde de werking van de Christus'.


Karl Barth zal anderhalf decennium later de tegenstelling Jezus en Christus, evenals die van geloof en wetenschap doorbreken en opheffen door de stuukkeen heel anders op het schaakbord te zetten en daarin ook de eschatologische strekking van de NT-ische verkondiging neer recht doen. Ja, hij durft zelfs te zeggen: Christentum, das nicht ganz und gar und restlos Eschatologie ist, hat mit Christus ganz und gar und restlos nichts zu tun'.


Daar komt nog bij dat de liberale bijbel-wetenschap volgens Barth geen oog en geen oor had (en heeft) voor de aanspraak en het oordeel die vanuit de Bijbelse verkondiging naar ons en onze wereld uitgaan. De Schrift is evenwel niet het verhaal, het woord van mensen over God, maar Gods Woord tot en over ons mensen. De theologie is dan ook in wezen antropologie geworden, hetgeen ze bij Feuerbach de facto en de iure al was. We moeten echter niet antropologisch over God, maar in de lijn van de Schrift von Gott aus over de mens en de wereld denken en spreken. Bij Barth (e.a.) betekent de eschatologische inhoud van Jezus' optreden en prediking de crisis van de (wereld)geschiedenis, terwijl bij Schweitzer de doorgaande geschiedenis de eschatologie tot een tragische vergissing maakt.


Centraal in de preken en de theologie van de (jonge) Karl Barth staat het kruis als de crisis, ja, het einde van de geschiedenis, van de (oude) mens en deze (oude) wereld. De eeuwigheid raakt de tijd in een enkel punt en doet de tijd uit haar voegen barsten. Alles wankelt, alle zekerheden bezwijken. Het is – niet geheel onbelangrijk – de tijd van Wereldoorlog I en van de Russische Revolutie en Barth laat het donderen en bliksemen hoog in de Alpen. Gods gerichten gaan over het oude Europa. Het lijkt een 'Untergang des Abendlandes' Het weerklinkt in Barth's oordeelsprediking.


Toch is dat niet de diepste intentie van Barth's theologische passie, ook niet in deze beginfase. Het einde is ook een nieuw begin. 'Neue Welt' licht op aan de horizont 'Het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen'(2 Cor. 5: 17) Het is waar dat dat laatste schuilgaat achter het hevige geweld van de oordeelsprediking in 'Römerbrief II' uit 1921. Barth moest afstand scheppen tussen God en wereld, God en mens. De nadruk ligt op Gods 'Neen' tegen alle menselijke aspiraties en prestaties; ook die van de religie, het christendom en het socialisme! Het geloof in Christus betekent een radicale crisis van de cultuur en überhaupt van alle zekerheden, waarin mensen en naties hun identiteit menen te vinden.


Barth deelt dit inzicht met Rudolf Bultmann. Het kruis betekent voor die laatste ook radicale 'Entsicherung en dat stelt de mens in de hachelijke vrijheid van de 'Entscheidung', van de eenzame en door niets gedragen beslissing. Daarin en daarin alleen is hij evenwel authentiek mens. Zonder zijn identiteit te ontlenen aan zijn (goede)werken (Luther!) of aan wereldse zekerheden. Bij Bultmann komt alles te staan op de noemer van de menselijke existentie in vrijheid en authenticiteit; geschiedenis, maatschappij en natuur hebben en krijgen geen wezenlijke betekenis. Het geloof en de theologie laten deze terreinen dan ook ongemoeid. Het zijn 'adiaphora', de dingen die er niet toe doen. Bultmann schiet daarmee in het oude, diep ingeslepen spoor van 'God en de ziel, en anders niet'. (Augustinus).


Bij Barth zal dat wezenlijk anders toegaan , al is dat in de beginfase nog niet zo duidelijk en zo zeker. Maar bij hem geldt: 'Zie, Ik maak alle dingen nieuw' (Op. 21: 5) De hemel en de aarde. Dus niet alleen de mens als een 'nieuwe schepping' door het Woord van oordeel en genade, zoals in de exustentie-theologie van Bultmann. Het scheelde misschien niet zo heel veel of Barth was hetzelfde spoor ingegleden. Het verschil is dat Barth vanaf het begin streng vasthoudt aan de subjectiviteit en de ipseïteit van God, onderscheiden van die van de mens, terwijl Bultmann de correlatie van beiden benadrukt. Het soevereine spreken van God (in Christus, door de Geest) zal Barth nooit loslaten, terwijl Builmann God en mens van elkaar afhankelijk maakt. Het zijn bij hem als het ware 'natuurlijke en oorspronkelijke bondgenoten', terwijl bij Barth het bondgenootschap (van God in Christus met de mens en diens wereld) rust in Gods vrije verkiezing en het omvat meer dan de verlossing van de mens ook die van de wereld (natuur, geschiedenis, maatschappij).


We permitteerden ons deze kleine uitweiding over Barth en Bultmann om de veronderstelling te wagen dat er meer verwantschap is tussen Barth en Rosenstock dan tussen deze laatste en Bultmann. Geschiedenis en maatschappij zijn de oogmerken en aandachtsvelden zowel in de Woordtheologie van Barth als in het 'Sparchdenken' van Rosenstock. In de wederzijdse negatie van beide tijdgenoten van elkaars weg en werk gaat mogelijk een misverstand schuil. Het is de vraag of Rosenstock in Barth in wezen niet de positie en de weg van Bultmann afwees en dus eigenlijk de verkeerde op het oog had in zijn desinteresse voor Barth. Ook Barth (menen we te mogen zeggen) spreekt en denkt vanuit het levende Woord dat ontdekkend, steeds weer nieuw en anders is en zeker niet uitsluitend als iemand die rationalistisch begrippen analyseert en herschikt. De taalstroom van de Schriften vormt de onderstroom ook in zijn dogmatische arbeid. Methodisch is er ongetwijfeld groot verschil met Rosenstock, maar intentioneel en inhoudelijk is er de nodige verwantschap (o.i.)


In de drieslag van leven, leer en werking van Jezus en de Christus doet Rosenstock dan een grootse poging de onvruchtbare en onzakelijke tegenstelling tussen Jezus en Christus op te heffen. Daarbij mag direct duidelijk zijn dat wij het 'natuurlijke', persoonlijke en innerlijke leven van Jezus van Nazareth alleen kennen in de 'zoete vrucht' van zijn leer. Kiem en bloei zijn verondersteld, maar blijven verborgen in een 'gene zijde' van zijn publieke optreden als leraar. Van dat laatste is het bijzondere dat bij Jezus zijn leer geen eindpunt is, zoals bij een gewone en middelmatige leraar, maar een voortgaand 'sprekend ontdekken'. Hij leeft al lerende ook verder, zodat zijn leerlingen en volgelingen de grootste moeite hebben hem te volgen en te verstaan. Jezus laat zich niet in een (definitief) begrip of beeld vastleggen of gevangen nemen en behoudt zijn voorsprong,(zodat zijn leerlingen altijd zijn leerlingen zullen blijven, ook als zijzelf apostelen en leraren zijn geworden!) De synoptische evangeliën weerspiegelen 'de worsteling met deze inhaalslag'. De timmermanszoon is reeds de rabbi, de rabbi al de profeet, de profeet de (messiaanse) koning en deze al de lijdende knecht Gods. En als de discipelen hem -buiten adem- gevolgd zijn tot bij het kruis en het graf is Hij al de Opgestane Heer. En ook dat is geen eindpunt, want op Pasen volgt de Hemelvaart en daarop de uitstorting van de Geest als de scheppende en drijvende kracht waarin de discipelen als apostelen en getuigen hun Heer volgen op zijn weg naar de einden der aarde (en het einde der tijden).


We moeten dan ook zeggen dat Jezus zijn leren en persoonlijke leven verre overschrijdt in zijn betekenis en werkzaamheid als de opgestane en verhoogde Christus. Hij is de Levende, ,die, als de Geest, levend maakt, ook al is hij dan gestorven; het hoogst originele Woord dat woorden en daden in ons losmaakt; de verhoogde Heer die de wereld beweegt en regeert vanuit de verborgenheid en de ontoegankelijkheid van de hemelse gewesten. Het is echter een regering van de Heer die zijn knechtsgestalte niet heeft afgelegd, maar als zodanig 'uitermate verhoogd is en de Naam boven alle naam gegeven is' (Filip. 2: 9) Ook als de lijdende knecht geeft hij de regie niet uit handen. Hij regeert en beweegt de wereld vanuit de uiterste passiviteit van de kruisiging. Hij is een Koning die als een priester zijn leven offert ter wille van de zijnen en zo de weg des levens voor hen vrijmaakt. Jezus' passie is 'passio activa'. Het is kracht in zwakheid volbracht. Al zijn (wonder)daden wortelen in de innerlijke ontferming waarmee hij bewogen wordt, als bij de barmhartige Samaritaan uit de gelijkenis. We kunnen ook zeggen: ze komen voort uit de liefde Gods (gen,subj.) die in hem openbaar en daadwerkelijk wordt.


Dit is de door mij hier wat vrij en vrijmoedig weergegeven lijn in het eerste deel van het Ichthus- geschrift, waarin Rosenstock de onvruchtbare tegenstelling van Jezus enerzijds en de Christus anderzijds te boven wil komen door leven, leer en werking in een levende betrekking tot elkaar te brengen. Het overtuigt (me) en het is vooral ook belofterijk. Want in de opheffing van die starre en steriele antithese kunnen niet alleen orthodox en liberaal geloof anders in relatie tot elkaar komen te staan, maar het raakt ook aan de verhouding van geloof en wetenschap, van openbaring en historische en maatschappelijke ervaringen. Is het immers niet Rosenstocks grote verdienste en aspiratie de velden van maatschappij en geschiedenis in het licht van de openbaring ter sprake te brengen, althans dat licht daar niet onder de korenmaat te plaatsen? Daarin komen die beter tot hun recht en hun waarheid dan in de positivistische en empirische wetenschappen. Openbaring als 'macht van oriëntatie' is hem antropologisch, sociologisch en historisch uiterst relevant. Theologie 'sec' heeft Rosenstock (bij mijn weten) nooit en nergens bedreven, maar wel theologie als sociologie en met aandacht voor de werkzaamheid van de Geest in maatschappij en geschiedenis.


Zou echter (vraag ik me af) in een grondige en aandachtige lezing en exegese van het NT de zaak hier in het geding niet toch aan inzichtelijkheid en overtuigingskracht winnen? De Bijbelse adstructie en exegetische onderbouwing is vrij pover. We willen daarom hier, in het kort, een enigszins aanvullende en alternatieve route beproeven langs enige NT-sche Bijbelplaatsen.


Het NT kent evenmin als het kerkelijk credo een Jezus van Nazareth, 'a man called Jesus', zonder overigens te ontkennen dat die in het begin van onze jaartelling geleefd heeft! Maar deze man als privépersoon is al verdwenen in de nevelen van de verleden tijd bij het ontstaan van het NT. Een manco is dit evenwel niet! Jezus gaat op en is ons tegenwoordig in zijn functie, zijn rol, zijn ambt en hij komt tot ons, zoals er gezegd is, 'gekleed in het gewaad van zijn evangelie'. Zijn innerlijk leven kennen we al evenmin als het meeste van zijn uiterlijk leven als particuliere persoon. We kunnen met enig recht zeggen: er is nooit 'een meneer Jezus' gewest. Niet voor niets klinkt dit haast profaan en oneerbiedig. De evangeliën kennen alleen de 'Kurios' Jezus, dit is 'de Heere Jezus', zoals de meest vromen onder ons over en tot hem spreken. Zakelijk terecht! Altijd is hij al de Kurios en met deze titel wordt hij (meestal) ook aangesproken. Niemand zegt 'Jezus' tegen Jezus, behalve dan de moordenaar aan het kruis als een intrigerende uitzondering! (Lucas 23:42)


De evangeliën (en de brieven) veronderstellen Kruis en Opstanding en zijn dan ook na Pasen te boekgesteld. Hoeveel historische ervaringen er ook doorschemeren met name in de synoptische evangeliën, Jezus is er altijd al de Kyrios of Christus Jezus. Of meer dogmatisch gesproken 'God de Zoon in het menselijk vlees'(Van Ruler). We kennen hem op de weg en in de werkzaamheid van zijn ambtelijke arbeid, als profeet, priester, koning. Of ook als het Woord in den beginne, als het initiatief dat soeverein van hemzelf uitgaat en nieuwe woorden en daden, liederen en verwachtingen in ons losmaakt. Ja, hij is 'de Zoon van God', 'de eniggeborene des Vaders' (Joh. 1:14), hetgeen evenwel in geen enkel opzicht in mindering komt op zijn mens-zijn, zijn vleeswording. Immers 'in alles ons gelijk geworden, uitgenomen de zonde', om het met de Heidelbergse catechismus te zeggen. Hij is als 'waarlijk God, waarlijk mens' (Chalcedon). En omgekeerd: als kind van zijn tijd Heer van de tijd. De zoektocht naar de mens Jezus van N. is niet alleen tot mislukken gedoemd, veelzeggend als dat is, maar ook misplaatst. Het gaat steeds om zijn werkingskracht en betekenis als de Messias, de Christus; om deze mens als geestdrager en door de Heilige Geest verwekte(!); om hem als openbaring van Gods mensenliefde; om hem die, zoal we al zagen, op zijn weg en in zijn daden zijn voorsprong op zijn volgelingen steeds handhaaft. (Ofschoon hij in majesteitelijke macht en vrijheid ter wille van de achtergeblevenen ook weer op zijn schreden kan terugkeren en zijn voorsprong opgeeft. Tot hen komend, wandelend over de zee en hen toeroepend 'Vreest niet! Ik ben het'-zie Marc. 6:48 ev.)


Reeds geboorte en vroege jeugd zijn die van de Messias Jezus. Hij voegt zich in de rij van Israëls geslachten, als de laatste die de eerste is, 'Jozef, de zoon van Jacob' als vader passerend, door uit een niet-ingezaaide akker geboren te worden als een conceptie van de Heilige Geest. (Mat.1) Reeds zijn geboorte is een daad van soevereine vrijheid, waarin hij tot zijn volk komt 'om het te redden van hun zonden'(Mat.1:21). Dit kind 'voor wie Herodes beeft'(Vondel) en dat Caesar Augustus, die de hele wereld wilde inschrijven in zijn wereldhuishouding, zelf inschrijft in het boek van zijn geschiedenis (terwijl de keizer vervolgens geruisloos door de evangelist Lucas wordt afgevoerd), dat kind is nooit een kind geweest! Of ook: altijd een kind geweest in zijn ontvankelijkheid, afhankelijkheid en menselijkheid. Niet anders als dit mensenkind en in deze knechtgestalte is hij Heer. Gezaghebbend en gebiedend als iemand die zelf gezag erkent en gehoorzaamt. Voorganger als volgeling (van Mozes). De nieuwe Josua die als eerste het beloofde land verspiedt en binnengaat.


De Christus Gods is altijd de mens Jezus, die ook in zijn opstanding en hemelvaart de incarnatie niet aflegt en die van de berg der verheerlijking steeds weer afdaalt in de laagvlakte van het menselijk bestaan. Daar heeft hij immers zijn tenten opgeslagen (Joh.1: 14b.) en het wordt dan ook Petrus niet toegestaan tenten (tempeltjes) te maken op de hoge berg (Mat. 17: 4) (De huidige Paus lijkt daar iets van begrepen te hebben!) Het gaat in Jezus nooit en nergens om hemzelf, maar steeds om zijn betekenis en werking, zijn ambtelijk werk dat altijd een publiek (en politiek) karakter draagt en waarin de wereld betrokken raakt doordat ze zich met hem inlaat, 'zich op hem stort', zoals Rosenstock het drastisch en treffend zegt. Want al is het misschien te veel en niet geheel juist gezegd dat deze en andere rechtvaardigen geschiedenis maken, de wereld kan linksom of rechtsom niet om hen heen en raakt als het ware besmet met hun rechtvaardigheid. De vraag naar gerechtigheid en waarheid is en wordt door hen gesteld en valt niet meer te onderdrukken of te ontlopen. Daarin wordt de wereld bevrijd van haar totale en eindeloze onverschilligheid en van haar neutraliteit zonder enig mededogen.


In de passiviteit van arrestatie, overlevering en kruisiging geeft Jezus de regie nochtans niet uit handen. 'Indien gij dan mij zoekt, laat deze heengaan' (Joh. 18:9). Dit herderlijke en koninklijke woord! Jezus' gevangenneming betekent een vrije doortocht voor zijn volgelingen(en zijn Galilese aanhang). Als Jezus, rechtop, voor Pilatus als zijn rechter staat, staat deze tegelijk en meer voor hem als zijn rechter en wordt hij, niet ongevoelig voor chantage, ons onthuld in zijn kronkelige lafhartigheid en onbetrouwbaarheid. In dat proces rond Jezus, dat hij lijdzaam en weerloos ondergaat, komt de terrorist Bar Abbas op vrije voeten en worden Herodes en Pilatus, die tot op die dag in vijandschap leefden, vrienden! (Lucas 23:12). Het zijn de eerste tekenen van verzoening en verlossing. Joden en heidenen verzamelen zich onder het kruis als een eerste gemeente. De scheiding opheffend, de tussenmuur wegbrekend, de vijandschap dodend door het kruis. (Ef. 2: 14 ev.) Deze lijdensgeschiedenis is bevrijdingsgeschiedenis. Deze passie staat in het teken van Pasen. De schijnbare mislukking van Jezus' weg en werk is in waarheid de triomf van zijn reddende en vindingrijke liefde. Dit alles moest geschieden. Niet als was het een tragedie, maar om de weg naar een toekomst van gerechtigheid en vrede vrij te maken. Niet door bloed te vergieten, maar door zelf zijn leven te geven 'als een losprijs voor velen'. Dit alles vindt plaats in de reële (wereld)geschiedenis en in het tijdelijke, lijfelijke en publieke bestaan. Opstanding en Hemelvaart heffen de incarnatie niet op alsof we daarin met bovennatuurlijke, onaardse werkelijkheden te maken zouden krijgen. Want de opgestane en verhoogde Christus is niemand anders dan de gekruisigde en vernederde Jezus. Heer als knecht, koning als priester, herder als 'het lam dat de zonde der wereld wegdraagt' (Joh. 1: 29)


In Christus Jezus wordt de (wereld)geschiedenis op een nieuw spoor en in een nieuw perspectief gezet, bevrijd van haar noodlottigheid. 'Jésus a défatalisé l'histoire', dat onvergetelijke woord van Roger Garaudy. De weg naar een toekomst van gerechtigheid en humaniteit loopt via het kruis van Golgotha. Het uitermate vruchtbare en plaatsvervangende offer van de Zoon des mensen, die 'waarlijk Gods Zoon is'(Marcus 15:39). Op die weg wordt Gods heerlijkheid openbaar… als de heerlijkheid van mens en wereld. De (goede) schepping is 'een plek licht rondom het kruis'. (Noordmans)


Een liberaal christendom dat alleen wil weten van Jezus als een bijzonder, eerbiedwaardig en voorbeeldig mensenkind, Gods hoogste schepsel, (de ketterij van Arius!) doet niet alleen Jezus Christus, maar ook zichzelf ernstig te kort. Het doet geen recht aan het codewoord ICHTHUS, aan de vier ademstoten van de ene NAAM en wat in die Naam besloten ligt aan kritiek en belofte, aan kracht en troost, aan inzicht en uitzicht, aan bevrijding en gebod. Ja, aan verlossing van de wereld en het lijfelijke bestaan(Rom.8:23). Die Naam te ontsluiten is de kerntaak van een zichzelf goed begrijpende theologie en die Naam te verkondigen en te prijzen de ambtelijke opdracht van de Kerk. Dat wil zeggen:de werkzaamheid en betekenis van de opgestane Heer, Jezus Christus, als 'ecclesia audiens' te leren en te onderwijzen ('lernen' en 'lehren'), er gehoorzaam uit te leven en erin te wandelen door de Geest. Discipelschap dat steeds in apostelschap en diaconale dienstbaarheid zal overgaan.


We moeten vrezen dat een liberaal geloof -dat zich in onze dagen ook in een eerder orthodox beleden geloof breed maakt- optimaal niet verder reikt dan een respectabel, fatsoenlijk, hooguit strijdbaar humanisme. 'De moed om mens te zijn'(Hans Achterhuis, over Albert Canus) 'Courage to be' (Paul Tillich). We willen er zeker niet min over denken,(en weten ons zelf in hoge mate geestverwant), maar dit humanisme loopt het niet geringe risico te verglijden in een wel erg vlak en cultuurgelijkvormig humanisme. Paulus staat er niet hoog aangeschreven. Ernstiger is dat Jezus als de Redder van mens en wereld (!) weinig of geen krediet krijgt. Verlossing van de wereld, opstanding van het vlees, nieuwe schepping verdwijnen achter de horizont. Want de wereld draait immers door en het is al mooi als we het menselijk fatsoen en de menselijke eer tenminste enigermate kunnen ophouden.


Het orthodoxe geloof daarentegen klemt zich juist vast aan Jezus als de Verlosser, de Heiland der wereld en de Redder der zielen, deels doordat het zich in het defensief gedrongen ziet vanwege de dominante ideeën van een kerkelijk en (vooral ook) cultureel liberalisme en humanisme. Het poogt in ernst het geheimenis en de volheid van de Messias te conserveren in tempels, rituelen en sacramenten, in verheven beelden en iconen of in bezwerende, onbeweeglijke formules en begrippen. Dogma's als vuurvaste waarheden (en niet als speek- of preekregels). De orthodoxie vreest de profanisering en secularisering van wat haar heilig is en bewaart en koestert het haar toevertrouwde mysterie van de Godmens in Jezus ons verschenen. Zij wenst geen kostbare parelen voor de zwijnen te werpen en dat is haar op zichzelf in dank af te nemen.


Maar: is het orthodoxe geloof niet bezweken voor de verleiding van Petrus om tenten op te slaan voor Jezus, Mozes en Elia op de berg der verheerlijking? (Mat.17: 1 ev.) Om zo het ogenblik van de openbaring der heerlijkheid, het geschouwde visioen vast te houden en vast te leggen, ja, te vereeuwigen? Evenwel eeuwigheid is 'eeuwigheid in de tijd' en elke berg die Jezus bestijgt in het NT daarvan zal hij ook weer afdalen in de laagvlakte en de misère van het menselijk bestaan (zie Mat. 17:14 ev.). Want hij die troont in de hemel, woont op aarde, tussen de mensen, in hun noden en angsten. 'Opgevaren ten hemel, van waar hij komen zal…', zegt het Apostolicum. De verheven en verheerlijkte Christus is –nogmaals gezegd- niemand anders dan Jezus, de Mensenzoon, die zich heeft gecommitteerd en gecompromitteerd in de menselijk-al-te menselijke affaires, in de omgang met zondaars en tollenaars, in het zoeken van wie en wat verloren was. De volle last van de medemenselijkheid heeft hij op zich genomen in vermoeiende twistgesprekken, in het bukkend en zuchtend oprichten van zieken en zwakken, ten laatste in het plaatsvervangend boeten en op zich nemen van alle menselijke schuld. Niet oordelend, het oordeel zelf dragend, door het hemelse gericht zelf te ondergaan en te doorstaan. Jezus is (de) mens voor de mens, ook voor de mens, die 'geen mens heeft' (Joh. 5:7) en voor wie zijn menselijkheid verloren of verkwist heeft in een reddeloos en redeloos leven als dat van de jongste zoon uit de gelijkenis. Diens verhaal en diens weg heeft Jezus tot de zijne gemaakt in een solidariteit tot het einde. De op de Naam van Jezus gedoopten worden in de kracht van de Geest van de opgestane Heer betrokken in zijn passie en als getuigen van en participanten aan zijn mensenliefde de wereld ingezonden. Een orthodox geloof en een zuivere belijdenis vormen geen alibi voor een engagement en een zich verliezen tussen de mensen en in de wereld op de wijze van Jezus. Paulus kon zich concentreren op de betekenis en de werking van kruis en opstanding en het verhaal van het leven en de leer van Jezus aan anderen overlaten (of misschien bekend veronderstellen). Wij moeten weten dat de gekruisigde en opgestane Heer niemand anders is dan Jezus, van wie we horen in de vier evangeliën en die het vuur van de liefde (voor hem en -in hem- voor alle dingen) in ons ontsteekt en onderhoudt.


Wanneer?, kunnen we vragen. We antwoorden: in het uur der openbaring als de stroom (of de storm) van het natuurlijke en naïeve leven van de jeugd op haar grens stuit en rijp wordt voor de vraag: 'Waartoe ben ik op aarde?' Dat is (of kan) 'het uur U' (zijn). Het moment van de openbaring als roeping of als geschouwd visioen. Het leidt tot een nieuwe zelfreflectie en levensopvatting en vervolgens tot het koene besluit het geschouwde visioen (of ideaal)waar te maken in een werkzaam en daaraan gehoorzaam leven. Het zijn stadia op de levensweg van elk mens: jeugd, adolescentie, volwassenheid of ook die van leven, leer en (uit)werking.


In het derde en laatste deel van zijn ICHTHUS- essay tast Rosenstock naar overeenkomsten in de levensgang van de mens met die van Jezus Messias. Dat die er zijn spreekt zeker niet vanzelf. De overgangen van het ene stadium in het andere kunnen bij de mens ook uitblijven of veel minder markant zijn. De mens kan ook blijven hangen in het speelse, energie en tijd verspillende leven van de jeugd met haar ongerichte verlangens en zinnelijke genoegens of ook gevangen blijven in de 'Dauerreflection' van de adolescentie (de 'eeuwige student') zonder dat het tot een werkzaam en vruchtbaar (volwassen) leven komt. Dat laatste stadium veronderstelt en bewaart evenwel de voorafgaande, want 'werken zonder geest en zonder dat het hart een verleden heeft…is leeg; de schijn van een vrucht waar noch zaad, noch bloei was.' De verkwisting van de jeugd en de ijdele, vrijblijvende reflecties van de adolescent worden als 'zonden' vergeven, maar als verlangen en inspiratie opgenomen in het werkzame leven van de volwassen mens. Zonder de bezieling van het verlangen en de elementaire levensliefde of ook zonder de blijvende inspiratie van het geschouwde visioen en het daarin gehoorde gebod ontaardt de werkzaamheid in 'lege bedrijvigheid' zonder wezenlijk doel of in 'de demonie van loutere machtsuitoefening'. Zoals er ook een demonie is van de zinnen of van het denken indien men blijft steken en volharden in de fasen van (resp.) jeugd en jonge volwassenheid.


De kans op ontsporingen is levensgroot. Niets verloopt hier op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze. Toch mag gezegd worden: 'Bijna geen mens loopt in zijn geheel zijn levensbaan mis. Bijna iedereen komt tot enige werking op een bescheiden levensweg'. Alleen als het (volks)leven alleen nog maar schijnt te bestaan uit 'de jeugdbeweging van het gevoel, de orthodoxie van de geest en de arbeidspolitiek van het organiseren' dan sleuren deze geïsoleerde 'deelbedrijven' allen mee 'in de hel van het niets'(!) De vruchtbare werkzaamheid van het menselijk leven wordt niet door het leven als zodanig gegarandeerd. De stroom van leven naar openbaring en illuminatie en vandaar naar vruchtbare uitwerking kan verdrogen en de humaniteit van mens en samenleving ontwrichten en teloor doen gaan. 'Dan', zegt Rosenstock, 'baant Gods barmhartigheid nieuwe wegen voor de mens'. Het heilzame initiatief van de stichter is werkzaam en laat zich niet onbetuigd in gezaghebbende mensen die opnieuw de weg wijzen en banen waarop leven, geest en vruchtbare arbeid in hun opeenvolging en integratie mens en wereld behoeden voor hun teloorgang. De liefde van God in de Messias de wereld bewezen schept lefhebbende, offervaardige en overvloedig arbeidende mensen.


Zo ontstaat er analogie tussen de weg en het werk van de Messias Jezus en die van door hem aangesproken en door zijn Geest aangeraakte mensenkinderen. Christusgelijkvormigheid(vgl. 1 Joh. 3:2) Overeenkomst én blijvend verschil. Mensen zijn de Messias niet. Zij behoeven bekering en vergeving, doop en wedergeboorte, maar hun levensweg is die van de Messias als diens getuigen en bondgenoten. Die weg voert vanuit het natuurlijke leven via de openbaring als hun roeping naar het dienstwerk in de wereld en onder de mensen of van het geschouwde hemelse visioen op de berg of in het heiligdom naar de moeiten en lasten van het aardse dal. Op deze weg waarop de Messias Jezus voorging zijn arbeid en onverdroten ijver niet vergeefs, niet ijdel. (1 Cor. 15:58) Dit knechtelijke, toegewijde werk wordt gekroond met heerlijkheid als de door de Messias gewaarborgde bestemming van mens en wereld. In dit veelbelovende toekomstperspectief staat het dienstbare, lief- en lefhebbende leven van de christen en van ieder die zich op de weg van de Messias bevindt of begeeft of daar als bij toeval terecht gekomen is. In incidenteel oplichtende tekenen van glorie en in innerlijke vreugde werpt deze bestemming haar licht reeds vooruit. De Naam van Christus draagt die van de mens die liefheeft, gelooft en hoopt, achtereenvolgens, maar ook tegelijk, in de stadia van leven, leren en werken. Daarin vertaalt en weerspiegelt de mens de levensweg van Jezus in zijn eigen levensbaan en ontvangt hij zelf een naam die in het boek des levens opgeschreven wordt…


(Delft, november '13 / mei '14; niet eerder gepubliceerd)


Dit essay van Eugen Rosenstock-Huessy vindt men in 'Die Sprache des Menschengeslechts' Bd. I pag. 119-142. Er is gebruik gemaakt van een Nederlandse vertaling van Otto Keoesen. Daaruit de citaten tussen aanhalingstekens. (R. K.)

(c) Rens Kopmels